Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

improviseren - (onvoorbereid bedenken en uitvoeren)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Al ouder (kennelijk overgenomen uit het Italiaans, hoewel meestal de Franse uitgang wordt gebruikt) improvisateur (1792 - [1]), improvisatrice (1780 - [2]), ook met Italiaanse uitgang improvisatori (1788 - [3]) 'iemand die voor de vuist weg gedichten maakt'.

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

improviseren ww. ‘onvoorbereid bedenken en uitvoeren’
Nnl. improviseren “verzen voor de vuist, onvoorbereid ... uitspreken, dichten, zingen” [1824; Weiland], ‘onvoorbereid redevoeren’ [1847; Kramers], ‘onvoorbereid muziek maken’ [1908; WNT], ‘onvoorbereid organiseren’ [1908; WNT].
Via Frans improviser ‘onvoorbereid organiseren’ [1829; Rey], eerder al ‘voor de vuist dichten of spreken’ [1779; Rey], nog eerder ‘onvoorbereid zingen of musiceren’ [1642; Rey], ontleend aan Italiaans improvvisare ‘onvoorbereid musiceren’ [1547; DEDLI], afleiding van improvviso ‘onvoorzien’, ontleend aan Latijn imprōvīsus, afgeleid met het voorvoegsel → in- 2 ‘niet’ van prōvīsus, het verl.deelw. van prōvidēre ‘vooruitzien’, zie → provisie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

improviseren [voor het ogenblik bedenken] {1824} < frans improviser < italiaans improvvisare, van improvviso [niet voorzien, onverwacht] < latijn improvisus [idem], van in- [on-] + provisus, verl. deelw. van providēre [al van verre zien, vooruitzien], van pro [voor] + vidēre [zien].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

improviseer ww.
1. Iets op die ingewing van die oomblik voordra, lewer of komponeer. 2. Haastig en met onvoldoende middele maak of daarstel.
Uit Ndl. improviseren (1824 in bet. 1, 1888 in bet. 2).
Ndl. improviseren uit Fr. improviser uit It. improvvisare, 'n afleiding van improvviso 'onvoorsiens, onverwags', met lg. uit Latyn improvisus, met lg. van in- 'on-' en provisus, die verlede dw. van providere 'al van ver af sien, vooruitsien'.
Eng. improvise.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

improviseren ‘voor het ogenblik bedenken’ -> Indonesisch improvisir ‘voor het ogenblik bedenken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

improviseren voor het ogenblik bedenken 1824 [WEI] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut