Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

immuun - (onschendbaar; niet vatbaar)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Oudere attestatie (dan 1895):

  • W. Koster: Nieuwe banen op het gebied der geneeskunde. De Gids 55 (1891) [1]: "Men moest de dieren - zoo als het heet - immuun of réfractair kunnen maken."

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

immuun bn. ‘onschendbaar; niet vatbaar’
Vnnl. eerst in een verouderde juridische betekenis immun ‘vrij, onbelast’ [1669; Meijer]; nnl. immuun ‘onbelast’ [1824; Weiland]; dan in de afleiding immuniteit ‘onvatbaarheid’ in immuniteit voor gele koorts [1892; WNT injectie], dan immuun ‘niet vatbaar (voor een ziekte)’ [1895; WNT], overdrachtelijk ook ‘onschendbaar, onbeïnvloedbaar’ in immuun ... tegen de zucht tot moderniseren [1950; WNT repristinatie].
In de moderne betekenis ontleend aan Engels immune ‘onvatbaar (voor ziektes e.d.)’ [1881; OED], een terugvorming bij ouder immunity ‘onvatbaarheid (voor ziektes e.d.)’ [1879; OED], ontleend aan Frans immunité ‘id.’ [1865; Rey]. Dit zn. is al enkele eeuwen ouder in de juridische betekenis ‘onaantastbaarheid, onschendbaarheid; vrijstelling (bijv. van belasting)’; ook Engels immunity en Nederlands immuniteit hebben eerder die betekenis. Frans immunité is ontleend aan Latijn immūnitās ‘vrijstelling, ontheffing van bepaalde lasten’, afleiding van immūnis ‘vrij van (lasten, plichten e.d.)’, afgeleid met het voorvoegsel → in- 2 ‘niet, zonder’ van mūnus ‘taak, last, dienst’, verwant met -meen in → gemeen. In de verouderde betekenis ‘onbelast’ is immun, immuun via Frans immune ontleend aan hetzelfde Latijnse immūnis.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

immuun [onschendbaar, onvatbaar] {immun [vrij, onbelast] 1698} < latijn immunis [vrij van staatslasten (werk, krijgsdienst, belasting), verschoond van, veilig, ongestraft], van in- [on-] + munia [plichten, (officiële) taken] (vgl. ammunitie, commune).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Immuun, Immuniteit. (Van ’t Lat. immunis = vrij, onvatbaar.) In de middeleeuwen genoten de geestelijken en de edelen het voorrecht, dat hun bezittingen (dorpen, steden, enz.) niet onderworpen waren aan de gewone rechtspraak; zij hadden daarvoor hun eigen rechters. Dit voorrecht heette immuniteit. Ook de vrijdom van belasting en vrijstelling van krijgsdienst, in het genot waarvan de adel en de geestelijkheid deelden, heette immuniteit.
In de geneeskunde noemt men immuniteit de onvatbaarheid voor besmettelijke ziekten, voor vergiften, enz. Bijv.: de egel is voor den adderbeet immuun; wie de pokken heeft gehad, wordt voor deze ziekte immuun.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

immuun ‘onschendbaar, onvatbaar’ -> Indonesisch imun ‘onschendbaar, onvatbaar’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

immuun onschendbaar, onvatbaar 1895 [WNT] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut