Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

immers - (toch, namelijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

immers bw. ‘toch, namelijk’
Mnl. et is ymmers een quaet hoeft ‘het is immers een slecht mens’ [1437; MNW-R].
Afleiding met bijwoordelijke → -s van → immer.
Al in de oudste attestatie wordt dit woord gebruikt zoals in het hedendaagse Nederlands. Daarnaast komt het in de 15e en 16e eeuw nog voor in de combinatie immers niet ‘volstrekt niet’ [1501; MNW-P].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

immers* [toch] {1530} met het bijw. vormend achtervoegsel s < immer, emmer [steeds, immers], naast oudsaksisch eomer, oudhoogduits iomer, van middelnederlands ie (vgl. iemand, ieder) + meer.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

immers voegw., mnl. emmers, immers, ommer s, ummers is met een bijw. s gevormd van immer, evenals mnd. ummers, jummers. Terwijl de beide vormen oorspr. hetzelfde betekenden, zijn zij eerst in het nnl. van elkaar onderscheiden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

immers bijw., mnl. emmers, immers (ommers, ummers) in bet. = emmer enz. (zie immer), waarvan het met bijwoordelijke -s is gevormd, evenzoo mnd. (j)ummers, in bet. = (j)ummer. De bet.-differentieering van immer en immers is eerst nnl. In de ndl. diall. is de vorm ommers de overheerschende, in Antwerpen bestaat er bet.-verschil tusschen immers en ommers.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

immers bijw., met adv. s, uit Mnl. immer = in elk geval: hetz. als ’t vorige w.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

jummers (bijw.) immers; Middelnederlands ymmers <1437>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mos II: mod. bw., “inderdaad, reeds, tog”; uit slot v. Ndl./Afr. (im)mers, (ouer vorme em-/om-/ummers, in WVL mos by Debo 667); by vRieb o.a. ommers.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

immers* bijwoord van modaliteit: toch 1530 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut