Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

imker - (bijenhouder)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

imker zn. ‘bijenhouder’
Mnl. in de samenstelling im(me)care ‘bijenkorf’ [1477; Teuth.]; nnl. ijmker ‘bijenhouder’ [1809; Wdb. ND], immeker ‘id.’ [1832; Bomhoff NE], imker ‘bijenhouder’ [1886; WNT], ijmker ‘id.’ [1896; WNT].
Een West-Germaans woord dat nu alleen nog in het Nederlands bestaat en waarvan de herkomst onduidelijk is. Wat zeker is, is dat de eerste lettergreep teruggaat op mnl. imme (van byhen) ‘(bijen)zwerm’ [1477; Teuth.], ijme- ‘bijen-’ [1488; MNW immecorf], vnnl. immen ‘bijen’ [1567; MNW], een vooral in de noordoostelijke dialecten voorkomend woord, waarvan de oudste betekenis ‘bijenzwerm’ lijkt te zijn, waaruit bij overdracht de betekenis ‘bij’ is ontstaan. Het tweede lid zou ontstaan kunnen zijn uit mnl. caer ‘korf, bijenkorf’, het huidige → kaar ‘korf’, met afzwakking van onbeklemtoond -caer in de samenstelling tot -ker. Voor de verdere ontwikkeling van het woord zijn er dan twee mogelijkheden: a) de verzwakte eindklank -er werd opgevat als uitgang die een handelend persoon aangeeft, zie → -aar, waardoor betekenisverschuiving optrad; b) om een handelend persoon aan te geven werd juist een uitgang -er toegevoegd, wat een in het Nederlands verboden opeenvolging /rər/ zou opleveren in*imcarer of *imcerer, zodat de laatste -r afviel. Verklaring b lijkt onwaarschijnlijker, omdat het Nederlands normaal gesproken /rər/ opheft door een d in te voegen zoals in → eerder, waardoor *imkaarder zou ontstaan.
Een alternatieve verklaring voor imker (WNT) gaat niet uit van een samenstellend tweede lid caer, maar direct van imme + -er, met tussenvoeging van een -k- ter welluidendheid en naar analogie van de eveneens noordoostelijke woorden bijker ‘iemker’, kooiker ‘persoon die een eendenkooi houdt’, touwker ‘vogelvanger met netten en strikken’. Zo'n klanktussenvoeging lijkt tamelijk arbitrair en de analogie verliep misschien andersom; vóór deze etymologie pleit echter het Groningse werkwoord iemkn, iemkjen ‘bijen houden’, waarvan iemker ‘imker’ een regelmatige afleiding kan zijn.
Naast mnl. imme alleen mnd. imme ‘bijenzwerm’; ohd. imbi ‘bijenzwerm’ (mhd. imbe, impe, imme ‘bijenzwerm, bijenvolk, bij’; nhd. Imme ‘bij’); oe. imbe ‘bijenzwerm’; op grond hiervan lijkt ‘(bijen)zwerm’ de oudste betekenis te zijn. Naast mnl. immecare os. bīkar, mnd. immenkar, mhd. bīnenkar ‘bijenkorf’. In het Duits en Engels verdrongen door de onder → bij 2 genoemde woorden en samenstellingen daarmee.
Onzeker is de verbinding van imme met Oudiers imbed, Oudwelsh immet ‘menigte’, onwaarschijnlijk die met Grieks empís ‘steekmug’.
Deze woorden zijn in het Nederlands pas laat geattesteerd, wat conclusies over herkomst en ontwikkeling problematisch maakt. Voor bijker bestaat echter indirect bewijs van hogere ouderdom in middeleeuws Latijn bigrius ‘imker’ [1155-73; TLF], Frans (in de 12e-14e eeuw vooral Normandisch) bigre [1257; TLF], Oudengels beōcere ‘id.’, waarnaast volksetymologisch ook beōceorl, letterlijk ‘bijenkerel’. Welk van deze woorden oorspronkelijk is of is ontleend, is echter niet duidelijk. Het Oudengelse woord kan oorspronkelijk zijn, net als Oudsaksisch bīkar.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

imker* [bijenhouder] {1886} van middelnederlands imme, ym(m)e [bij], middelnederduits imme, middelhoogduits imbe, imme (hoogduits Imme), oudengels imbe; waarschijnlijk verwant met oudiers imbed [menigte]; de oorspr. betekenis van imme is wel ‘zwerm’. De k is wel toegevoegd vanwege de welluidendheid (vgl. kooiker, bijker).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

imker znw. m. ‘bijenhouder’, naast iemker en ijmker, vooral in oostelijke dialecten, is een afl. van imme, îme ‘bij, bijenkorf’. — Mnl. imme, îme, mnd. imme, mhd. imbe, imme (nhd. imme), oe. imbe. De oudste betekenis is ‘bijenzwerm’ (reeds ohd. impi pīano).

De etymologie van dit uitsluitend westgerm. woord (dat misschien uit een substraattaal overgenomen is) ontmoet bezwaren. IEW 311 vergelijkt gr. empís ‘steekmug’, maar moet dan voor het idg. de vormen *embhi- en *empi- aannemen (taboe-wisseling?). — Uitgaande van de bet. ‘bijenzwerm’ zoekt Lidén, Studien zur aind. und vergl. Sprachgesch. 71 vlgg. verband met oiers imbed ‘grote menigte’; daarentegen Ν. Törnqvist, Studia Neoph. 17, 182 vlgg. met een wt. *embh- ‘nevel, wolk’. Alles hoogst onzeker. — Ook het 2de lid -ker van imker is op verschillende wijze uitgelegd. Enerzijds wil men uitgaan van *kazja, afl. van *kaza, vgl. got. kas, on. ker ‘vat’, mnd. kar ‘kuip, vat, korf’, zie verder: kaar, en vgl. os. bī-kar ‘bijenkorf’. Evenals got. kasja ‘pottenbakker’ van kas, zo zou wgerm. *kazja > karja gevormd zijn. Ter vergelijking dienen nnl. bijker en oe. bīocere ‘bijenhouder’ (vgl. nog E. Ochs PBB 53, 1929, 304). — Men voert daartegen als bezwaar aan, dat er meer dergelijke formaties in het nl. zijn, zoals kooiker (en vgl. familienamen als Bosker en Tuinker), waarvoor men dus een algemenere verklaring zou willen geven. W. de Vries Ts. 46, 1927, 89 denkt aan een ontstaan van -ker < -kerl (zie: kerel 1) en wijst op oe. bēoceorl naast bēocere. Dit laatste bewijst niet veel; toen de tweede vorm ondoorzichtig werd, kan men er een duidelijker 2de lid voor in de plaats hebben gesteld of zelfs een nieuwe naam hebben gemaakt (vgl. ook vHaeringen, Suppl. 76).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

imker, ijmker znw. Een vooral in het Oosten van Noord-Nederland gebruikelijke nnl. afl. van het dial. imme, îme “bij, bijenkorf”, evenals dial. bijker “ijmker” van bij II. Dit imme, îme, mnl. imme, îme (m.?) “bij, bijenkorf, bijenzwerm” = Teuth. imme, mhd. imbe, imme m. (nhd. imme v.), mnd. imme o. “id”, (nnd. en daaruit nhd. ook imker m. “imker”), ags. imbe (m.?) en ook reeds ohd. impi (m.) pîano “bijenzwerm”. Verwant met ier. imbed “menigte”, misschien verder met lat. omnis (*ombh-ni-) “al”, wsch. niet hierbij gr. áph(e)nos “rijke voorraad”. De combinatie met gr. empís “mug” is zeer onwsch., want de oorspr. bet. van ’t germ. woord is blijkbaar “zwerm”; voor de bet.-ontwikkeling vgl. fr. dial. ruche, essaim “bij”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

imker, ijmker. Het is verleidelijk in dit woord een ja- afl. te zien van een woord voor ‘bijenkorf’, zoals ags. bêocere m. ‘apiarius’ van een aan os. bî-kar o. ‘bijenkorf’ (zie kaar en kaar Suppl.) beantwoordend znw. wordt afgeleid. Wij moeten dan voor het eerste deel de bet. ‘bij’ aannemen: vgl. mnd. immenkar m. (ook zwab.) ‘bijenkorf’. Zo opnieuw E. Ochs PBB. 53, 304 (reeds Ndl. Wdb. II, 15). Het gaat echter niet aan imker, dial. bijker te scheiden van de vooral in het N. en O. van Nederland gangbare -ker-woorden als kooiker en geslachtsnamen als Bosker, Tuinker enz. Daarom verdient het vermoeden van W. de Vries Tschr. 46, 89 vlg. (vgl. ook v.Lessen Samengest. Naamw. 47) overweging, dat het tweede lid uit -kerl = kerel I is ontstaan: reeds ags. bêoceorl naast bêocere; vgl. ook Bosman, Tuinman naast Bosker en Tuinker. — Minder wsch. is de oudere verklaring van W.de Vries Woordv. 119 (waarvoor v.d.Meer PBB. 55, 73 vlgg. het weer opneemt), dat -ker zou uitgegaan zijn van nomina agentis bij — vooral nwfri. niet zeldzame — ww. op -ken

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

imker m., samenst. met imme en kaar, als bijker met bij en kaar. Het Mnl. en Vla. biebuuk (z. buik) bet. ook bijenkorf en bijenhouder.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

imker s.nw. (verouderd)
Byeboer.
Uit Ndl. imker (1886), 'n afleiding met -ker van Mnl. imme 'by'.
D. Imker.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Imker of ijmker, afgel. van im, imme, dat nu eens bijenkorf (met de bijen; een zwerm, een volk), dan weer een bij zelf bet. Imker staat voor immer, d.i. bijen(korven)houder; de k is welluidendheidshalve ingelascht, vgl. bijker (= òòk imker) en kooiker (kooienhouder, n.1. voor eenden).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

imker ‘bijenhouder’ -> Duits Imker ‘bijenhouder’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

imker* bijenhouder 1886 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut