Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

illusionist - (goochelaar)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Komt al eerder (in elk geval sinds 1882 - [1]) voor in de betekenis van 'iemand die veel illusies heeft, onrealistisch idealist'.

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

illusie zn. ‘zinsbegoocheling, droombeeld’
Vnnl. illussie ‘bespotting’ [1553; van den Werve], ‘bespotting, begoocheling’ [1650; Hofman], notoire illusie vande Justitie ‘openbare misleiding van de rechtbank’ [ca. 1670; WNT ignorant]; nnl. al de illusie, die een stuk verwekt ‘het hele droombeeld dat een toneelstuk oproept’ [1806; WNT uitzinnig], illusiën (mv.) ‘hersenschimmen’ [1837; WNT uitroeien], O wereld vol illuzie ‘O wereld vol luchtkastelen’ [1849; WNT latijnsch], maak je daar geen illusies van ‘stel je daar niet te veel van voor’ [1903; WNT kind].
Al dan niet via Frans illusion ‘bespotting’ [ca. 1120; Rey] ontleend aan Laatlatijn illusio (genitief illusionis) ‘misleiding’, een afleiding van het werkwoord illūdere ‘bespotten, belachelijk maken, bedriegen, misleiden’, gevormd uit → in- 3 ‘tegen-, in-’ en lūdere ‘spelen’, zie → ludiek.
De attestatie uit 1670 zou rechtstreeks kunnen zijn ontleend aan het juridisch Latijn. De betekenissen na 1800 sluiten meer aan bij de ontwikkeling in het Frans: ‘gezichtsbedrog’ [ca. 1223; Rey], ‘trucage in een toneelstuk’ [1765; Rey], en bij uitbreiding ook ‘verkeerde voorstelling van de werkelijkheid’ [1611; Rey] en ‘verkeerde positieve verwachtingen’ [1767; Rey].
illusionisme zn. ‘wijsgerige stroming; goochelkunst’. Nnl. illusionisme ‘leer dat alle menselijke voorstellingen en begrippen een illusie zijn’ [1907; WNT Aanv.], ‘het oproepen van illusies in bepaalde kunstvormen’ [1937; WNT Aanv.], ‘neiging om in illusies te geloven’ [1969; WNT Aanv.], ‘opwekken van illusies door goocheltrucs’ [1976; WNT Aanv.]. Internationaal neologisme, afgeleid met het achtervoegsel → -isme bij illusie. Onduidelijk is welke taal voor welke Nederlandse betekenis als bron heeft gediend. ♦ illusionist zn. ‘goochelaar’ [1950; WNT Aanv.]. Jonger woord voor goochelaar, zie → goochelen, wrsch. onder invloed van Engels illusionist ‘goochelaar’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

illusionist [goochelaar] {na 1950} < frans illusionniste, van illusionillusie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

illusionist ‘goochelaar’ -> Indonesisch ilusionis ‘goochelaar’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

illusionist goochelaar 1950 [Aanv WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut