Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

illegaal - (onwettig)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Oudere attestaties (dan 1824):

  • Vaderlandsche letteroefeningen 1784 [1] "...waarin de

Schryver, zo 't al een echt Stuk mogte zyn, deszelfs illegaliteit beweert"

  • Vaderlandsche letteroefeningen 1787 [2] "..welker Commissie men aldaar illegaal verklaerd heeft"

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

legaal bn. ‘rechtmatig, wettelijk’
Vnnl. legaal ‘volgens de wet, wettelijk, rechtmatig’ in bij enniger peine canonijcke oft legale ‘volgens enige kerkelijke of wettelijke straf’ [1510; WNT reduceeren], voor legaal gehouden werden ‘als rechtmatig beschouwd worden’ [1682; WNT peiling].
Ontleend aan Latijn lēgālis ‘betrekking hebbend op de wet, wettelijk’, afleiding van lēx (genitief lēgis) ‘contract, wet’. Zie ook → loyaal, dat via het Frans op hetzelfde woord teruggaat.
Het Latijnse woord is verwant met: Oskisch ligud ‘wet’ < pie. *leǵ- (IEW 658); door interpretatie als ‘verzameling van voorschriften’ verwant met Latijn legere ‘verzamelen; lezen’, zie → legende.
illegaal bn. en zn. ‘onwettig(e)’. Nnl. eerst het bn. illegaal ‘onwettig, verboden’ [1824; Weiland], illegale werkers ‘verzetsstrijders in de Tweede Wereldoorlog’ [1941; WNT Aanv.], dan ook zelfstandig gebruikt in onze illegalen ‘onze verzetsstrijders’ [1946; WNT Aanv.], illegaal ‘buitenlander zonder arbeids- of verblijfsvergunning’ [1948; Van Dale Hwb.]. Via het Franse bn. illégal ‘onwettig’ [1361; Rey] ontleend aan middeleeuws Latijn illēgālis ‘id.’, gevormd uit → in- 2 ‘niet’ en lēgālis. Het bn. had in Nederland in en kort na de Tweede Wereldoorlog vooral betrekking op de geheime anti-Duitse, en dus onwettige activiteiten van het verzet. Toen ontstond ook het zn. illegaal, waarvan de betekenis ‘verzetsstrijder’ later plaatsmaakte voor de huidige betekenis. ♦ legaliseren ww. ‘een wettelijke status geven’. Nnl. legaliseren [1809; Wdb. ND] in de certificaten moeten gelegaliseerd worden ‘door handelingen van de bevoegde autoriteiten wettig gemaakt worden’ [1818; WNT]. Ontleend aan Frans légaliser ‘id.’ [1668; Rey], afleiding van légal ‘wettelijk’. ♦ legalisatie zn. ‘wettigverklaring, verlening van een wettelijke status’. Nnl. legalisatie ‘wettigverklaring’ [1814; WNT Aanv.], ‘wettigverklaring van tot dan toe verboden activiteiten’ in een legalisatie van den tegenwoordigen feitelijken toestand [1932; Vaderland], legalisatie van het veelvuldig gepleegde dooden van de door de moeder niet gewenschte vrucht [1935; Groene Amsterdammer]. Ontleend aan Frans légalisation ‘id.’ [1690; Rey], afleiding van légaliser. Oorspr. hebben legaliseren en legalisatie betrekking op handtekeningen, akten, getuigschriften, enz., waaraan een wettelijke status wordt gegeven door bevestiging door een notaris, opneming in een overheidsregister, enz. Veel jonger is de toepassing van deze woorden op wetswijzigingen die activiteiten die tot dan toe onwettig of verboden waren, rechtmatig maakt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

illegaal [onwettig] {1824} < frans illégal, afgeleid van latijn legalis, bn. van lex (2e nv. legis) [wet] (vgl. legaal) + ontkenning in- [on-].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

illegaal (Frans illégal)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

illegaal ‘onwettig; iemand die onwettig in een land verblijft’ -> Koerdisch îlegal ‘iemand die onwettig in een land verblijft’; Tamazight (Noord-Marokko) alikhar ‘iemand die onwettig in een land verblijft’; Indonesisch ilégal ‘onwettig’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

vertrutting [het onaantrekkelijk, saai, vervelend worden] (1979). Het Winkler Prins Boek van het jaar vermeldt behalve vertrutting de volgende nieuwe woorden uit de tweede helft van de jaren zeventig: afromen, afronden, aftoppen, afslanken, arbeidsplaatsenovereenkomst, assertief, assertiviteit, audiorack, audiotoren, bedrijfsdoorlichting, bespreekbaar, chip, crisiscentrum, deeltijds, disco, dissident, duobanen, educatief verlof, geluidswal, gouden handdruk, horizonvervuiling, illegalen, inhuren, inleveren, inschatten, inseinen, inverdienen, joggen, joggingpak, laadkist, loonpauze, mediatheek, minlijn, nuloptie, opschonen, prijscompensatie, satelliet-tv, seksisme, sluiproute, spookrijder, sprinter, stereotoren, surfplank, teletekst, trendvolger, vervroegde uittreding (vut), vrouwenhuis, windsurfen en zelfdoding.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

illegaal onwettig 1824 [WEI] <Frans

Winkler Prins Boek van het jaar (1958-1980), Amsterdam / Brussel (lemma ‘Nieuwe woorden in onze taal’)

illegalen (1980)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut