Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ijzer - (scheikundig element, metaal; voorwerp van ijzer)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ijzer zn. ‘scheikundig element (Fe), metaal; voorwerp van ijzer’
Onl. in de plaatsnaam Iserna ‘IJzeren (Limburg B)’ [ca. 1050, kopie eind 11e eeuw; Gysseling 1960]; mnl. eerst in de minder gebruikelijke vormen iser(e)n ‘het ijzer’ in ant iseren uan úwen spere ‘aan het ijzer van uw speer’ [1220-40; CG II, Aiol] en isen ‘voorwerp van ijzer (wapen, harnas, hoefijzer)’, bijv. in de persoonsnaam Isenbars (genitief) [1210; CG I, 24]; dan iser ‘ijzer’ [1240; Bern.], ferrum dats iser in onse tale [1287; CG II, Nat.Bl.D], dat hem (een paard) dijsen ... vanden voeten vlogen [1315-35; MNW-R]; vnnl. yser, ijser [1561; WNT].
Os. īsarn (mnd. īse(r)n); ohd. isa(r)n (mhd. īsern, īsen, īser; nhd. Eisen); ofri. īser, īsern (īsrn, irsen, irser zijn secundair) (nfri. izer); oe. īse(r)n, īren (< *īsren; ne. iron); on. ísarn (< West-Germaans), járn (< Keltisch; nzw. järn); got. eisarn ‘ijzeren (voet)boei’; < pgm. *īsarna- (*īsara-, *īsan-).
Verdere etymologie onzeker. Zowel om cultuurhistorische redenen als vanwege het typisch Keltische achtervoegsel *-arna- veronderstelt men meestal ontlening aan Keltisch *īsarno-, vergelijk Oudiers iarann, íarn, Welsh haearn, haiarn en het Gallische toponiem Isarno-durum. De vormen pgm. *īsara- en *īsan- zijn vereenvoudigingen van *īsarna-. Aangezien ijzer pas vanaf 2000 v. Chr. in Klein-Azië in gebruik kwam en in Europa zelfs pas vanaf ca. 1000 v. Chr., kan hier geen Indo-Europees woord voor ‘ijzer’ zijn voortgezet. Men veronderstelt wel afleiding van pie. *h2ei-es- ‘metaal’ of ‘erts’ (zoals o.a. in Sanskrit áyas- ‘metaal’, Latijn aes ‘erts, koper, geld’ (zie → era), Gotisch aiz ‘erts, koper’; Nederlands → oer), maar dat kan niet op directe wijze zijn gebeurd. Mogelijk heeft pie. *h2ei-es- zich tot *īs- ontwikkeld in een taal die later verdwenen is, bijv. op de Balkan, en is dat woord door de Kelten ontleend in de betekenis ‘ijzer’.
Een andere etymologie wordt voorgesteld door Vennemann (2003). Zowel pgm. *īsarna- als Keltisch *īsarno- zijn volgens hem ontleningen aan een over grote delen van Europa verspreide substraattaal waaruit het huidige Baskisch is ontstaan. Hij noemt hierbij Baskisch izarne ‘glans, schittering’, dat zelf wordt beschouwd als afleiding van izar ‘ster’.
ijzeren bn. ‘van ijzer’. Onl. īsirīn ‘ijzeren’ [10e eeuw; W.Ps.]. Afleiding van ijzer. De typische combinatie IJzeren Gordijn voor de moeilijk doordringbare grens tussen Oost- en West-Europa gedurende enkele decennia na de Tweede Wereldoorlog is een leenvertaling van Engels iron curtain. Dat was letterlijk een brandscherm (van ijzer) dat in een theater tussen toneel en publieksruimte kon worden neergelaten ter beveiliging tegen brand e.d. [1794; OED]; in overdrachtelijk gebruik werd dit ‘ondoordringbare barrière’ [1817; OED] en met betrekking tot de grens van de Russische invloedssfeer dateert de term al uit 1920 (OED). In de specifieke politieke, naoorlogse betekenis is de oudste attestatie gevonden bij de Duitse minister van Volksvoorlichting en Propaganda Joseph Goebbels, die in februari 1945 sprak over een eiserner Vorhang. Engels iron curtain verscheen in mei 1945 weer in een vertaling van een Duitse radiotoespraak door minister Schwerin. De Britse ex-premier Winston Churchill (1874-1965) gebruikte het begrip vervolgens enkele malen in het openbaar en gaf het wereldwijde bekendheid in een redevoering op 5 maart 1946 in de VS (Fulton, Missouri). ♦ ijzervreter zn. ‘doorzetter’. Nnl. ijzervreter ‘gehard krijgsman’ [1818-21; WNT], nu vooral overdrachtelijk. Samenstelling met een afleiding van → vreten.
Lit.: Vennemann 2003, par. 7.6.3; J. Engelsman (2004), Bekende citaten uit het dagelijks taalgebruik, Den Haag

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ijzer [chemisch element] {iser(e) 1220-1240} oudsaksisch isarn, oudhoogduits isa(r)n, oudfries iser(n), oudengels ise(r)n, iren, oudnoors isarn, jarn, gotisch eisarn, ontleend aan het keltisch, vgl. oudiers íarn, middelwelsh haearn; de Kelten hebben het waarschijnlijk weer ontleend aan het illyrisch.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ijzer znw. o., mnl. îser, maar ook îsen, beide ontstaan uit *îsern, vgl. os. īsarn, ohd. īsarn, īsan, ofri. īsern, īrsen, oe. īsern, īsen, īren (ne. iron), on. īsarn, got. eisarn, teruggaande op germ. *īsarna-.

Het woord is waarsch. in de vroege ijzertijd aan het keltisch ontleend, vgl. de gallische plaatsnaam Īsar-nodurum. Maar de ijzerwinning begint reeds in de Hallstatt-tijd en is in deze periode aan de Illyriërs toe te schrijven, waarom Pokorny KZ 46, 1914, 292 het woord als illyrisch beschouwt. Vgl. ook H. Krahe, Die Sprache der Illyrier 1, 1955, 120 met verdere literatuur. — Verdere aanknopingen zijn geheel onzeker. K. F. Johansson, BB 18, 1892, 17 dacht nog aan een germ. woord, dat hij in verband bracht met germ. *aiza ‘koper, metaal’, vgl. mnl. eer, os. ohd. ēr, oe. ær, ār (ne. ore), on. eir, got. aiz en verder lat. aes ‘erts’, oi. ayas ‘metaal, erts’. — IEW 300 wijst er op, dat het Germ. het illyrische woord *eisarnon zo vroeg ontleend zal hebben, dat ei > ī over kon gaan. Verder voert hij idg. *ǐsǝros ‘krachtig, heilig’, vgl. gr. hierós ‘heilig’, oi. iṣirá- ‘krachtig’ als verwant aan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ijzer znw. o., mnl. îser, minder vaak îsen o., uit *îsern, dat evenals ohd. îsarn, îsan (nhd. eisen), os. îsarn, ofri. îsern, îrsen, ags. îsern, îsen, îren (eng. iron), on. îsarn, got. eisarn o. “ijzer” op germ. *îsarna- teruggaat. Wsch. in de periode van de La-Tène-cultuur (laatste 500 jaar vóór Chr.) ontleend uit kelt. *ī̆sarno-, waaruit ier. ī̆arn “ijzer” ontstaan is. Uit ier. ī̆arn kan weer on. îarn, jarn o. “ijzer” ontleend zijn. Het is onzeker, of kelt. *ī̆sarno- met mnl. eer o. “metaal, erts”, (onfr. êrin “aereus”), ohd. os. êr o. “erts”, ags. âr o. “metaal, ijzer” (eng. ore), on. eir o. “metaal”, got. aiz o. “erts, metaal, geld”, lat. aes “metaal”, oi. áyas- “id., ijzer” verwant is. Een geheel ander woord is ohd. aruz(zi), erizzi o. “metaalslak, ongezuiverd metaal” (nhd. erz, waaruit ndl. erts) = os. arut “id.”, dat wel bij lat. raudus “metaal”, rudis “onbewerkt” en hoogerop bij rood gebracht is, door anderen bij gr. árdis “pijlspits” of bij alb. arɛ́nts “staal”. Men heeft op ’t bet.-verschil tusschen ohd. êrîn “koperen, bronzen”: erzîn in ’t alg. “metalen” gewezen, maar dat helpt ons niet voor de etymologie van ’t laatste.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ijzer. Pokorny KZ. 46, 292 vlgg. vermoedt, dat de Kelten op hun beurt het woord voor ‘ijzer’ evenals de zaak ontleend hebben aan de Illyriërs tijdens de Hallstatt-periode. Got. aiz (en germ. verwanten), lat. aes, oi. áyas- wordt wel als oude idg. ontl. in verband gebracht met de vroegere (egypt.) naam van het eiland Cyprus, Ajasja, ouder Alasja: vgl. koper. (Zie o.a. Pokorny KZ. 49, 126 vlgg.). Is dit juist, dan is het zeker niet gewenst, ablaut met kelt. *ī̆sarno- aan te nemen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ijzer o., Mnl. iser, Os. îsarn + Ohd. îsarn, îsan (Mhd. îsen, Nhd. eisen), Ags. ísern, íren (Eng. iron), Ofri. ísern, On. ísarn, Go. eisarn: uit Uk. eisarno- (Oier. iarn), dat misschien met Mnl. eer (z. erts) verwant is. On. jarn (Zw. en De. jern) of wel uit Ier. of wel dissim. uit *irarn, bijvorm van isarn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

iezer (zn.) ijzer; Aajdnederlands iser <1050>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1yster s.nw.
Belangrikste en algemeenste metaal.
Uit Ndl. ijzer (Mnl. iser, isen). Reeds by Van Riebeeck (1651 - 1662) in die vorme iser, izer en yser. Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die vorme yster en yzer.

2yster s.nw.
Strykyster.
Verkorting van strykyster.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

ij’zer (het, -s), (i.h.b.:) verkorting van klopijzer*: z.a. - Etym.: AN ij. = o.m. naam voor allerlei voorwerpen van ijzer.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

yster: – (fig. en as attr. b.nw.) yser – , bek. swaar metaal; Ndl. ijzer (Mnl. īser/īsen, vgl. lg. m. Hd. eisen, by vRieb iser/izer/yser), Eng. iron, wsk. deur Germ. aan Kel. ontln. (vgl. Ie. iarn, “yster”) wat dit weer misk. v. Ill. gekry het, maar daar is ook ander moontlikhede; Afr. epent. -t- tussen s en r soos by paster, waster, wyster, ens.; een v. d. “elemente” (Simbool Fe).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ijzer (Keltisch)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

IJzer (Fe, 26). → Ferrum.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

ijzer (ijzers). - Het is bekend dat in het Fransch het zelfstandig naamwoord fer in het meervoud wordt gebruikt in den zin van boeien, ketenen, kluisters. Men kan echter ndl. ijzer op dezelfde wijze niet aanwenden, zooals soms gedaan wordt; men zegt niet eene straf van twee jaren ijzers, maar twee jaar kerkerstraf. || De wet van Fructidor jaar V (bedreigde) elken beambte, die de toepassing dier wet zou vertragen, met eene straf van twee jaren ijzers, G. BERGMANN, Gedenkschr. 13.

ijzers. - Aan fr. les fers beantwoordt ketenen, boeien, niet ijzers. Zie verder ook in de eerste afdeeling, II, het art. IJzer.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ijzer ‘chemisch element; voorwerp van ijzer’ -> Indonesisch éser ‘chemisch element’; Chinees-Maleis èyser ‘chemisch element’; Negerhollands iser, izu, izǝl ‘chemisch element, ijzeren boei’; Berbice-Nederlands isiri ‘chemisch element’; Skepi-Nederlands isir ‘chemisch element’; Sranantongo isri (ouder: izri) ‘chemisch element; van ijzer’; Sarnami isri ‘strijkijzer’; Surinaams-Javaans isri ‘ijzer, van ijzer; strijkijzer’ <via Sranantongo>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ijzer chemisch element 1220-1240 [CG II1 Aiol] <Keltisch

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

998. Dat is een heet ijzer om aan te vatten,

d.w.z. dat is eene moeilijke zaak om te beginnen. Zoo staat de uitdr. o.a. bij Tuinman I, 40 en in Van Effen's Spect. VIII, 15; doch bij anderen, o.a. Harrebomée I, 278 leest men in de plaats van ijzer handijzer, met de toelichting, dat de spreekwijze is ontleend aan de vuurproeven der middeleeuwen, waarbij den van tooverij beschuldigde een gloeiend ijzer in de hand gegeven werd. Vgl. Sassensp. 1, 28, 41: ‘Si hebben drierhande core, dat yseren (var. hantiser) te draghen, in enen wallendighen ketel te gripene al totten ellenboghe of den camp, hem te verweerne’. Ofschoon het niet onmogelijk is hier ijzer als afkorting van handijzer op te vatten, is het echter waarschijnlijker dat we moeten denken aan een hangijzer (mnl. hanciser), d.i. een ijzeren ketting met haak, waaraan een ketel boven het vuur kan hangen, een hael of hangel, vooral omdat de uitdr. ‘het is een heet hangijzer om aan te vatten’ vroeger zeer gewoon was en men nooit in dit verband van een handijzer leest. Zie no. 834.

999. Men moet het ijzer smeden als het heet is,

d.w.z. men moet eene gunstige gelegenheid niet ongebruikt voorbij laten gaan; de gelegenheid waarnemen, als die zich voordoet. De uitdr. wordt aangetroffen in het mlat. dum calidum fuerit debetur cudere ferrum; ferrum quando calet cudere quisque valet; tundatur ferrum, sum novus ignis inest; bij Goedthals, 17: Men moet het yser smeden te wylent dat heet is; in de Prov. Comm. 25: Alst yser heet is so salment smeden; zie verder Campen, 115; R. Visscher, Quicken, 3, 47: Ghy doet soo't hoort, ghy smeet het yser laeu; Everaert, 111: Smedet hysere binder wyle dat gloeyt; Sartorius I, 8, 37; Spieghel, 273; Hooft, Warenar vs. 1472; Idinau, 62; Harreb. I, 361 a; Waasch Idiot. 303 b; Antw. Idiot. 1778 en Bebel no. 10. In het Friesch zegt men eveneens: as 't izer hjit is moat it smeid wirde, waarvan een variant is as 't molken roan is moat me tsjernje (karnen); vgl. het 17de-eeuwsche men moet gapen als men pap biedt of trecken als 't nopt (vgl. fri.: dy 't byt het moat ophelje), seylen terwijl de wint dient, enz.; Afrik. as dit pap reën, moet jy skep (Boshoff, 334); het Westvl.: als je de neute hebt, je moet ze kraken; Vl. vischt terwijl het water blond is (Joos, 83); fr. il faut battre le fer quand il est chaud; mhd. die wîl das îsen hitz ist vol, vil bald man ez denn snîden sol; hd. man musz das Eisen schmieden, so lange es warm ist; eng. strike the iron while it is hot. Zie verder Wander I, 801.

1000. Men kan geen ijzer met handen breken,

d.w.z. het onmogelijke is niet te doen. Bij Sartorius I, 10, 78 lezen we: Ghy wilt het ys met de handen breecken, en zoo is er tot in het begin dezer eeuw in alle spreekwoordenverzamelingen sprake van ijs en niet van ijzerMen denke aan de ijsbrekers ‘groote gevaarten met scherpe ijzers voor den breeden platten steven, dat door 25 of 30 paarden werd voortgetrokken’; op een uithangbord aan de Weesperzijde stond er vroeger een afgebeeld; Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens II, 271.. Eerst Weiland geeft op: Men kan geen ijzer met handen breken’. Zie Harrebomée III, 216; Joos, 100; Waasch Idiot. 303 b; Antw. Idiot. 1778: Ik kan geen ijzer met mijn handen breken of ik kan geen ijzer bijten; en vgl. het fri.: me kin gjin izer mei hânnen brekke; in het Oostfri.: man kan gên isder mit handen brekke; Wander I, 801: Eisen kann man nicht mit Händen brechen.

1425. Dat is (oud) lood om oud ijzer,

d.w.z. dat is volmaakt hetzelfde; die ruil levert geen voor- of nadeel op; eig. de eene waar wordt verruild tegen de andere van ongeveer dezelfde waarde.In het Tijdschrift XVIII, bl. 82 heeft Mr. J.A. Sillem uit de Cameraars-rekeningen van Deventer en de Graaflijkheidsrekeningen van Holland trachten aan te toonen, dat lood en ruw ijzer in vroeger tijd in prijs niet veel verschilden en dat het laatste slechts iets duurder was dan het eerste. Men bedenke evenwel, dat deze overeenstemming in prijs van twee artikelen, die beide van elders moesten komen, niet anders dan tijdelijk en locaal kan zijn geweest, een constante waarde was in dien tijd niet denkbaar. Zie Sart. II, 10, 79: loot aen oudt yser; sulcke groet, sulck antwoort, die het opvat in den zin van: met gelijke munt betalen, op dezelfde wijze behandelen, zooals ook blijkt uit III, 5, 97: Loot om oudt yser, ubi quis similia similibus pensat. Tuinman I, 122, 197 en 358 stelt deze uitdr. gelijk aan lap om leêr. Bij Halma, 323 wordt duidelijk de tegenwoordige bet. er aan gehecht; hij verklaart dat is lood om oud ijzer door dat is slegt voor slegt, of die ruiling geeft geen voordeel, c'est pain pour fouace, ce troc n'est pas avantageux; C. Wildsch. VI, 62: ik ruil geen oud lood om oud ijzer; I, 312: t' is oud ijzer om oud lood; Harreb. I, 360. Vgl. Smetius, 188: het is een panneken om een potteken, - een knechtjen om een meysjen (vgl. Joos, 78: 't een is pot en 't ander panne); het 17de-eeuwsche gorre om guil (vgl. hd. Gurre wie Gaul); t' is vuile boter om gore kaas (Hist. d. Queesters, 310Zie Ndl. Wdb. VII, 728.); t' is vuil vet en vuile boterN. Taalgids, XI, 306.; vlaai om struif; het Vlaamsche dat is zeven om zeven (Joos, 84); de eene is puit en de andere padde (Waasch Idiot. 539); het Zaansche: 't is van den korf in den lapzak (Boekenoogen, 558 b); spek om spinde (Harreb. II, 285); pissebed weg, kakkebed weerom (De Vries, 88; Ndl. Wdb. VII, 897; vgl. H.v.Z. 64: Je zal wel niet slechter dan andere zijn - pissebed of kakkebed); de eene is pot en de andere is ketel (zie Antw. Idiot. 993; 1379; Teirl. 201); Sewel, 735: sop en geweekt brood; het Friesche gúl (gyl of goes) oan (om) goarre, treant oan toarre of lape om loarre, merrie om hengst, hommel om tor; súpe wirdt boarch for waei, karnemelk stelt zich borg voor wei; hui is karnemelks borg (C. Wildsch. II, 153; Gunnink, 177); waai borg f'r karnemelk (in Menschenw. 33); koek om vijgen (Harrebomée I, 426 a); oostfri. wei is karnmelks börge (Dirksen II, 80); enz.; fr. c'est bonnet blanc et blanc bonnet; hd. Aepfel um Birnen; das ist Jacke wie Hose, Mus wie Maus; eng. it is six of one and half a dozen of the other; in Zuid-Nederland: den eenen is vuil boter en den anderen is vuile visch of vuil vet.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

eis-1 ‘(sich) heftig, ungestüm, schnell bewegen; antreiben = anregen, erquicken; auch vom Entsenden, Schleudern von Geschossen, Pfeilen’, Nominalbildungen: isǝro-s ‘kräftig, heilig’, FlN Wort (e)isā, oisā usw., ois-mo- ‘Ansturm, Zorn’, ois-tro- ‘Wut’.

Ai. iṣṇā́ti, íṣyati ‘setzt in Bewegung, schwingt, schnellt (spritzt aus), treibt an; eilt, drängt vorwärts’, ḗṣati ‘gleitet’ (ēṣá- ‘eilend’, ḗṣa- ‘das Hineilen’), ī́ṣatē ‘enteilt’ (Adv. īṣát ‘annähernd’), iṣaṇat ‘er trieb an’, iṣaṇyáti ‘treibt an, regt an’, iṣayáti ‘ist frisch, rege, kräftig; erfrischt, belebt’, íṣ- f. ‘Erquickung, Labung’ (auch in íṣ-kr̥ti- ‘Heilung’), iṣirá- (: ἱαρός, Isara) ‘stark, regsam’;
av. aēš- ‘(sich) in eilige Bewegung setzen’ (Präs. St. iša-, išya-, aēšaya-, apers. aišaya-), av. aēšma- m. ‘Zorn’;
gr. dor. ἱαρός (: ai. iširá-), att. ἱερός ( : er, Schwyzer Gr. Gr. I 482), lesb. ion. ἶρος (*isros) ‘kräftig, rüstig’; weiter gr. ἶνάω, ἰνέω (wenn mit ῑ zu lesen, so daß aus *ἰσν-άω, -έω herleitbar) ‘entsende, leere aus; gieße aus’, Med. ‘entleere mich’ (vgl. ai. iṣṇā́ti); οἴω, οἴομαι (οἴσσατο, ἀνωιστός, ἀν-ωιστί, ωἴσθην, ὀισθείς) ‘meine, komme mit meinen Gedanken worauf, verfalle worauf’, bei Hom. mit ῑ entweder durch metr. Dehnung aus *ὀ-ῐ[σ]-ω oder aus*ὀ-ι[σ]ι̯ο:, nachhom. oἶμαι (aus οἴομαι);
mit ablaut. oi:
οἶμα ‘stürmischer Angriff, Andrang’, οἰμάω ‘stürme los’, beides von Raubvögeln, wie ved. ēṣati auch vom Losschießen des Raubvogels auf sein Nest (gr. Grundf. *οἶσμα, vgl. av. aēšma-); hierher auch noch οἶστρος ‘Wut und die sie durch ihren Stich erregende Bremse’, nächstverwandt mit lit. aistrà ‘heftige Leidenschaft’, aistrùs ‘leidenschaftlich’ (nicht besser oben S. 12); in ähnlicher Bed. ἰστυάζει ὀργίζεται;
ob gr. ἰάομαι ‘heile’, ἰατρός ‘Arzt’ hierher gehören, ist zweifelhaft; die att. Formen ohne Asper sprechen eher gegen intervok. -s- und das ī gegen anlaut. ei-; bei einem Kulturwortwäre fremder Ursprung nicht verwunderlich; Theander (Eranos 21, 31 ff.) geht von dem heiligen Rufe ἰά aus, was auch die schwankende Quantität des ἰ (die Heilgötter ‘Iᾱσώ, ‘Iησώ f., ‘Iά̄σων, ᾽Iήσων m. usw., vielleicht auch der Stammesname ‘Iά(ϝ)ονες, vgl. Schwyzer Gr. Gr. I 80, als ἰά-Rufer) erklären würde;
ἰαίνω ‘wärme’ hat und braucht trotz Schwyzer Gr. Gr. I 681, 694, 700 nicht dazu zu gehören; s. oben S. 11 und W. Schulze Qu. ep. 381 ff.; nach Wissmann Nomina postverb. 203 soll ἰάομαι die lautsymbolisch gedehnte Schwundstufe der Wz. eis- darstellen, brauchte also der Quantitätsdifferenz wegen nicht von ἰαίνω getrennt zu werden;
lat. īra, Plaut. eira (*eisā) ‘Zorn’;
vielleicht hierher gall. Isarno- PN, isarno-dori ‘ferrei ostii’, air. īärn, mir. īarann n., cymr. haiarn (erfordert ĭ-), acorn. hoern, bret. houarn ‘Eisen’ als das ‘starke Metall’ im Gegensatz zur weicheren Bronze;
germ. *īsarnan n., got. eisarn, ahd. as. anord. īsarn ‘Eisen’ ist wegen des ī- vielleicht aus ven.-illyr. *eisarnon vor dem germ. Wandel von ei zu ī entlehnt; vgl. den ven. FlN ‘Iσάρας, später Īsarcus, nhd. Eisack (Tirol);
dazu der urir. PN I(s)aros, air. Īär, balkanillyr. iser, messap. isareti (Krahe IF. 46, 184 f.);
ferner vielleicht das kelt.-ligur.-ven.-illyr.-balt. FlN Wort Is- im kelt. FlN Isarā, nhd. Isar, Iser, frz. Isère; *Isiā, frz. Oise; *Isurā, engl. Ure, usw. (Pokorny Urillyrier 114 f., 161);
die nhd. FlN Ill, Illach, Iller können auch auf vorgerm. *Is-l- zurückgehen und mit den lett. FlN Isline, Islīcis, wruss. Isła (kann wegen des -sł- nicht echt slav. sein) usw. verglichen werden; der Name der Iller: *Illurā kann mit dem VN der Illyrii verglichen werden;
die Vollstufe *Eis- außer in Īsarcus noch in vielen balt. FlN: *Eisiā, lit. Iesià, *Eislā, lit. Ieslā, lit. Eisra, usw. (Būga RSl. 6, 9 f., Rozwadowski RSl. 6, 47); hingegen führt Būga wruss. Istra, lett. SeeN Istra, lit. FlN Isra, apr. FlN Instrutis ‘Inster’ und thrak. Ἴστρος auf *Instr- zurück; bisher hatte man Ἴστρος aus *Is-ro-s erklärt;
auf *ois- gehen zurück wruss. Jesa (urlit. *aisā́), lit. Aĩsė; unklar ist, ob trotz des Anlauts Αἴσαρος (Bruttium), ven. Aesontius > Isonzo, umbr. Aesis, Aesinus hierher gestellt werden dürfen;
anord. eisa (*ois-) ‘einherstürmen’, norw. FlN Eisand, wozu ags. ofost, as. oƀast ‘Eile, Eifer’ aus *oƀ-aist-;
hierher auch ai. íṣu-, av. išu- m. ‘Рfeil’; gr. ἰός ds. aus *isu̯-os, vgl. zur Bed. οἰστός;
etrusk. aesar ‘Gott’, ital. *aiso-, *aisi- ds. sind fern zu halten und kaum mit gr. ἱερός gleichzusetzen.

WP. I 106 f., WH. I 717 f., Schwyzer Gr. Gr. I 282, 4825, 491, 6797, 681, 694, 700, 823.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal