Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ijzen - (verstijven of beven van angst)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ijzen ww. ‘verstijven of beven van angst’
Mnl. eisen ‘huiveren van angst’ [1240; Bern.], hem ne eisde als hi sach toe ‘hij keek toe zonder te huiveren’ [1285; CG II, Rijmb.], so ysden [si] dan ende ghinghen dane ‘toen werden ze bang en gingen ervandaan’ [1285; CG II, Rijmb.]; vnnl. ijsen [1563; WNT].
De oorspr. vorm is mnl. eisen, met ei volgens de Noordzee-Germaanse ontwikkeling uit *ege < *agi, zie ook → dweil, → meid. De etymologisch correcte spelling zou nu dan ook eizen moeten zijn (met z voor mnl. s tussen klinkers). Door volksetymologische associatie met → ijs kwamen al in het Middelnederlands ook de vormen isen, ijsen, ysen voor. Deze tendens werd versterkt door de Vroegnieuwnederlandse klanksamenval van ei met ij in het grootste deel van het Nederlandse taalgebied, waarna ijsen en daarna ijzen de definitieve vorm werd. In dialecten waar ei en ij niet zijn samengevallen, o.a. in de Achterhoek, komt nog eisen ‘schrikken’ voor.
Naast mnl. eisen alleen: mnd. eisen; ohd. egison ‘gruwen, ijzen’ (mhd. eisen); < pgm. *agisōn-, afleiding van *agis- ‘angst’, waaruit: ohd. egi; oe. ege (maar me. age, ne. awe uit het on.); on. agi (nde. ave); got. agis. Hierbij ook de afleiding pgm. *agisan- ‘angst’, waaruit: onl. egiso; os. egiso; ohd. agiso, egiso; oe. egesa. Daarbij de afleidingen onl. egislīk (zie hieronder); os. egislīk; ohd. egislīh; oe. egeslīc ‘angstaanjagend’.
Pgm. *agis- is verwant met Grieks ákhos ‘verdriet’; < pie. *h2éghis, -os- ‘angst’, s-stam afgeleid van de wortel *h2egh- ‘vrezen, treuren’.
IJzen was in het Vroegmiddelnederlands nog onpersoonlijk: hem eisde, letterlijk ‘het ijsde hem’, maar werd algauw ook onovergankelijk: si ysden ‘zij ijsden’.
ijzig bn. ‘ijskoud; griezelig’. Mnl. ysig ‘ijskoud’ [1485; MNW]; vnnl. ysich ‘griezelig’ [1617; WNT]. Afleiding met → -ig van zowel ijzen ‘schrikken’ als ijs, die als een en hetzelfde woord werden gevoeld. ♦ ijselijk bn. ‘angstaanjagend’. Onl. egislīk ‘id.’, eiselika thing ‘angstaanjagende dingen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. eiselic, einselic [1240; Bern.], yselike [1287; CG II, Nat.Bl.D]. Afleiding met → -lijk van onl. egiso ‘angst’ [10e eeuw; W.Ps.], van dezelfde wortel als ijzen.
Lit.: Philippa 1987

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ijzen* [gruwen] {eisen 1285} o.i.v. ijs volksetymologisch vervormd; in het middelnederlands ei < ege als dweil < dwegel, vgl. oudnederlands egislik [ijselijk], oudsaksisch egiso, oudhoogduits egi, oudengels ege, oudnoors agi, gotisch agis [vrees]; buiten het germ. grieks achos [leed], oudiers adágur [ik vrees] → ijselijk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ijzen ww., later-mnl. îsen, waarin men het woord ijs gevoeld heeft, maar dat eigenlijk eisen heet (dat nog dial. bijv. in de Achterhoek voorkomt). Mnl. eisen bet. ‘gruwen, ijzen’, mnd. eisen, ohd. egisōn (mhd. eisen). Oe. egesian, egsian bet. ‘vrees inboezemen, dreigen’, Het wgerm. ww. *agison is afgeleid van het znw. *agis (een oude s-stam), vgl. got. agis o. ‘vrees, schrik’, verder ohd. egi, oe. ege, on. agi m. Een afl. is nog os. egiso, ohd. agiso, egiso, oe. egesa. — gr. áchos ‘smart, leed’, áchnumai, áchomai ‘bedroefd zijn’, akachizō ‘bedroeven’, oiers ad-āgor ‘vrezen’ (IEW 7). — Zie: ijselijk.

W. de Vries Ts. 34, 1915-6, 218 wil het optreden van de ij niet aan de invloed van ijs toeschrijven, maar van mnl. grîsen; toen naast eiselijc ook (af)grîselijc stond, was zulk een beïnvloeding zeer natuurlijk.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ijzen ww., later-mnl. reeds îsen, dat onder invloed van ijs uit eisen is ontstaan. Eisen komt dial. nog voor (Achterh.). Kil. noemt ijsen “Holl.”. Mnl. eisen (onpers.) “ijzen, gruwen” = ohd. egisôn (mhd. eisen, onpers.) “id.”, mnd. eisen (onpers.) “id.”. Ags. eg(e)sian beteekent “vrees inboezemen, dreigen”. Evenals ndl. ijselijk, mnl. îselijc, eiselijc, onfr. egislîk, ohd. egislîh, os. egislîk, ags. egeslîc “verschrikkelijk” komt het wgerm. ww. *aʒisôn van den s-stam germ. *aʒis-” vrees”, die in den got. a-stam agis o. “vrees, schrik” bewaard is gebleven en waarvan onfr. egiso, ohd. agiso, egiso, os. egiso, ags. egesa m. “id.” zijn afgeleid en waarop wellicht ook ohd. egi, ags. ege m., on. agi m. “id.” teruggaan. Germ. *aʒis- = gr. ákhos “leed, smart”; verder hooren hierbij got. ogan “vreezen”, ogjan, on. œ̂gja “bang maken”, on. ôgn v., ags. ôga m. “vrees”, ier. âgor “ik vrees”, âl (*aghlo-) “bevreesd”, gr. akhomai, “ik treur”. De verdere combinatie met got. agls “smadelijk”, ags. egle “lastig, smartelijk” en verder met ier. âil “smaad”, oi. aghá- “boosaardig” is mogelijk, maar wegens de bet. onzeker.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ijzen. In de Bommelerw. leeft het znw. onfr. egiso enz. voort als ês.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ijzen ono.w., uit eizen, bij ijselijk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ys I: s.nw. en ww., water wat gevries het; (as ww.) tot ys vries; Ndl. ijs (Mnl. ijs), Hd. eis, Eng. ice – Ndl. ijzen bet. egter “ys opbreek”, herk. verderop onseker; hieruit Ndl. ijzig, Afr. ysig, “koud”.

ys II: ww., bewe, gru, (terug)skrik; Ndl. ijzen (later in Mnl. īsen uit eisen na d. vb. v. ijs, vroeër Mnl. en dial. eisen), Mhd. eisen (Ohd. egisōn, Oeng. eg(e)sian, “dreig, vrees inboesem”, Got. agis, “skrik” en “vrees”), hou verb. m. Gr. axos, “leed”, en aχomai, “ek treur”; hieruit yslik, “groot, skrikwekkend”; Ndl. ijselijk (Mnl. īselijc/eiselijc, Oeng. egeslīc, “verskriklik”).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ijzen* gruwen 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut