Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ijzel - (onderkoelde of bevroren regen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ijzel zn. ‘onderkoelde of bevroren regen’
Mnl. hisel ‘ijzel’ in van den hisel ende vorst [1485; MNW]; vnnl. hijsel ‘rijp’ in van den hijsel waren syn rancken eyslijc bevlect [1556; WNT], hijsel, ijsel, heisel ‘fijne hagel’ [1573; Thes.]; nnl. ijsel bij overdracht ook ‘de door ijzel veroorzaakte ijslaag op de weg’ [1873; WNT], ijzel [1819; WNT].
Oude afleiding van → ijs met een verkleiningsachtervoegsel zoals in → druppel. Het woord bestaat alleen in het Nederlands.
Ohd. īsilla ‘ijskegel’ (mhd. īsel) heeft een andere oorsprong. Andere Germaanse talen gebruiken een samenstelling of omschrijving, bijv. Duits Glatteis, Engels glazed frost of black ice, Deens isslag.
De betekenis van dit woord is in vroege attestaties niet altijd even duidelijk; er kon ook ‘rijp’ mee worden aangeduid. Tegenwoordig wordt ijzel alleen nog gebruikt voor regen of onderkoelde regen die direct bevriest bij contact met de aarde.
De h- in de Middelnederlandse vindplaats is opvallend, omdat in Noord-Holland, waar de betreffende tekst is geschreven, h een eigen foneem is en dit dus geen hypercorrecte vorm kan zijn. De vermelding van hijsel door Kiliaan en latere dialectstudies tonen aan dat het hier om een reëel bestaande nevenvorm gaat.
Lit.: Philippa 1992b, 111-112

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ijzel* [dunne ijskorst na neerslag] {isel(e) 1485} verkleiningsvorm van ijs.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ijzel znw. m., mnl. îsel, hîsel m. Vgl. Kiliaen ijsel ‘ijskegel’ = ohd. īsilla v. — Afl. van ijs. — > ne. dial. izle ‘rijpvorst; ijspegel’ (Bense 156).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ijzel znw. soms o., mnl. îsel, hîsel m. De opvallende, maar zeker secundaire vorm met h komt ook bij Kil. naast ijsel voor en nog dial. (limb. Kempensch). Van ijs. Vgl. ohd. îsilla v. “ijskegel”; in dezelfde bet. Kil. ijsel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ijzel m., dimin. van ijs + Ohd. îsilla.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

iezel (zn.) ijzel; Middelnederlands hisel <1485>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ysel [+]: yskors; Ndl. ijzel (by Kil ijsel/hijsel, reeds Mnl. īsel/hīsel), hou verb. m. ys I.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ijzel* dunne ijskorst na neerslag 1485 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut