Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ijsvogel - (scharrelaarachtige)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ijsvogel* [vogel] {ijsvogel, isvoghel 1287} middelhoogduits isvogel, oudhoogduits isfogal, maar daarnaast oudhoogduits iserno, isarar [ijzervogel]. Het is volmaakt onduidelijk waarom de vogel zo heet.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ijsvogel m., + Hgd. eisvogel, Zw. isfågel, De. isfugl: zou een vervorming van ijzervogel zijn met de bet. ijzerkleurige vogel.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

IJSVOGELAlcedo atthis
Duits Eisvogel
Engels Kingfisher
Frans Martin-pêcheur
Fries Iisfûgel
Betekenis wetenschappelijke naam: Halcyon uit Attica. De naam voor een fabel-vogel, die broedde op de toppen van de golven. Hiertoe bekoorden de goden de wind en kalmeerden de zee. Attica is misschien een mooi landschap. Overigens is op deze mythe de spreuk gebaseerd ‘Saevis tranquillus in undis’, d.i. ‘rustig temidden der woelige baren’. Met deze woorden en bijpassende afbeelding op een penning werd Prins Willem van Oranje destijds geëerd vanwege zijn inzet voor de vrijheidsstrijd. Het is een prachtig gekleurde vogel die de Nederlandse en Friese naam dankt aan het jaargetijde met ijs op de sloten, waarin hij bij een wak zit in de hoop een visje te verschalken. Synoniemen zijn Eisveugel (Fr), Iesvoggel (Ach), Iesvöggelken (Ach), Iisfûgeltsje (Fr), Iesfeugelke (Wie), Iisfoegel (Ter) en Ysfeugel (Ter). De namen Iesklepper (Gr) en Ieskletter (Gr) betekenen dat de vogel het ijs stuk klopt en er overheen hobbelt. Maar men weet dat de snavel niet echt dient om er een bijt mee in het ijs te hakken. Als Sluuswachter (ZVl) spiedt hij vanaf de sluisdeur in het water. Ook Waterspecht en Ieshop (Maa) geven weer dat hij een forse snavel heeft en bovendien fraai gekleurd is. Naar z’n blauwe kop en rug heet hij IJspaake (Lb) en Iespauwtje (ZVl). Ook IJsvink is waarschijnlijk ontstaan op grond van kleurigheid in een winters scenario, waarin tevens Vinken te zien zijn. In vroeger tijden was z’n Germaanse naam Eisenvogel ofwel ‘ijzeren vogel’. Zijn metaalblauwe rugkleur kwam toen overeen met die van ijzeren sieraden. Door wijzigingen in de techniek veranderde later de kleur van het ijzer en had de vogelnaam er geen binding meer mee. Door het gedrag van de vogel in de winter kwam men op de gedachte de naam in te korten tot Eisvogel.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ijsvogel* scharrelaarachtige 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut