Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ijsvogel - (scharrelaarachtige)

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Iisfûgel Officiële friese naam voor de IJsvogel ↑. Behalve de naam van het lemma noemt De Vries (1911/1928) ook Iisfûgeltsje.

IJsvogel Alcedo atthis (Linnaeus: ...) 1758. IJsvoghel bij JvM (vs.2308; in andere handschriften Hijsvogel (met hypercorrecte h) en IJsvogle). Fries Iisfûgel [De Vries 1911]; D Eisvogel >deens/noors Isfugl, zweeds Isfågel (officieel Kungsfiskare) [Suolahti].
Dit lid van de IJsvogelfamilie komt in het grootste deel van Europa als broedvogel voor. Hij leeft van kleine visjes, die hij stootduikend bemachtigt. De vogel is niet groot en vrij schuw; samen met de (als water) blauwe bovenzijde (vgl. IJspauwtje) redenen, waarom de vogel een vrij onopvallend bestaan leidt. Alleen ’s winters, als er ijs ligt, merken de mensen hem vaker op wanneer hij op een kale tak zit in de buurt van een wak. Vgl. Sintermertens veugelke.
Ook R Zimoródok en pools Zimorodek (zimá ‘winter’) geven aan dat de vogel juist in het winterseizoen veel meer opvalt dan ’s zomers. De naam IJsvogel is daarom al heel lang inderdaad geassocieerd geweest met ijs en het bijbehorende winterseizoen.
ETYMOLOGIE Of de oorspr. betekenis van de naam voor deze vogel inderdaad met ‘ijs’ te maken heeft, is niet zeker. Onl namen die dit probleem verduidelijken kunnen, zijn er niet. Falk & Torp 1903 interpreteren ohd isarn ‘IJsvogel’ (8e eeuw [Suolahti]) als ‘ijzer’; ohd îsanuogal (11e/12e eeuw) en isinuogil (13e eeuw) bevatten dan het element ‘vogel’ waarmee Falk & Torp op ‘ijzer-vogel’ uitkomen. Hierbij zou een gelijkenis spelen tussen de blauwglanzende kleur van ijzeren sieraden en dezelfde kleur van de bovenzijde van de vogel [Blok 1988].
Suolahti 1909 echter interpreteert ohd isarn1 (8e eeuw) als ‘ijs-arend’, waarbij ‘ijs’ is gemoti- veerd door het ’s winters opvallen van de vogel (eventueel bij een wak in het ijs) (volgens Mackensen 1985 door het vermeende broeden ’s winters) en ‘Arend’ (mogelijk ook enigszins spottend) door het stootduiken op vis, zoals ook de Visarend pleegt te doen. Hierbij zij opgemerkt dat -arn mogelijk in een vroege periode, net als Gr órnis, slechts ‘vogel’ betekende, waarmee isarn dus ‘ijsvogel’ betekenen zou.
De lange naam ohd îsarnovogal [Mackensen] kon volgens Suolahti (in een latere fase) ontstaan doordat men het eerste element niet meer begreep, ofwel het als ‘ijzer’ interpreteerde, waarna men voor de duidelijkheid ‘vogel’ toevoegde.
Vgl. Arend voor het gebruik van die naam in samengestelde vogelnamen en zie ook -hoorn.
De IJsvogelfamilie (Alcedinidae) omvat c.90 soorten, die vrijwel alle in warme streken voorkomen (bijv. in tropische mangrovebossen). Ook zijn er veel soorten, die weinig tot geen binding aan water hebben. Zij leven bijv. van reptielen of insecten. De N naam voor de hele familie is daarom een misnomer: er is immers in de meeste gevallen totaal geen sprake van ijs! Dat er sprake is van een misnomer geldt in mindere mate ook voor de E naam Kingfisher (family), omdat lang niet alle soorten ‘vissers’ zijn. Wel is het overgrote deel van de soorten bijzonder kleurrijk. Denkend aan een metaal (ijzer) als mogelijke oorsprong zouden we nu voor de hele familie aan *Chromaatvogels een passender naam hebben. Linnaeus 1758 gaf aan deze soort de naam Alcedo ispida. “Gracula atthis” staat eerder in Systema Naturae 1758 vermeld als een vogel (“Gracula Viridi caerulea, Abdomine Ferrugineo, pedibus Sanguineis”) die Hasselquist in Egypte had opgemerkt. Kennelijk heeft Gmelin 1788 in de 13e editie van Systema Naturae deze vogel als de IJsvogel opgevat [Wilms 970416,1]. In de Statenbijbel van 1728 (vertaling in 1618/1619 uit het hebreeuws) staat in Leviticus 11:18 als ‘onrein gevogelte’ “Kaeuwe”; dit komt overeen met “Gracula atthis” in Linnaeus 1758. Zie ook noot 1.

==

1 Isarn werd in de codex S. Pauli XXV (8e eeuw) als glosse toegevoegd aan het in Lev. 11:18 voorkomende porfirionem ‘Purperkoet’ ↑. Doordat men bij de Lat naam niet de juiste voorstelling van de vogel had, maar wel begreep dat deze vogel (mooi-)purper van kleur moest zijn, kwam de gedachte op ‘IJsvogel’ (deze is immers ook blauw en mooi).

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

IJSVOGELAlcedo atthis
Duits Eisvogel
Engels Kingfisher
Frans Martin-pêcheur
Fries Iisfûgel
Betekenis wetenschappelijke naam: Halcyon uit Attica. De naam voor een fabel-vogel, die broedde op de toppen van de golven. Hiertoe bekoorden de goden de wind en kalmeerden de zee. Attica is misschien een mooi landschap. Overigens is op deze mythe de spreuk gebaseerd ‘Saevis tranquillus in undis’, d.i. ‘rustig temidden der woelige baren’. Met deze woorden en bijpassende afbeelding op een penning werd Prins Willem van Oranje destijds geëerd vanwege zijn inzet voor de vrijheidsstrijd. Het is een prachtig gekleurde vogel die de Nederlandse en Friese naam dankt aan het jaargetijde met ijs op de sloten, waarin hij bij een wak zit in de hoop een visje te verschalken. Synoniemen zijn Eisveugel (Fr), Iesvoggel (Ach), Iesvöggelken (Ach), Iisfûgeltsje (Fr), Iesfeugelke (Wie), Iisfoegel (Ter) en Ysfeugel (Ter). De namen Iesklepper (Gr) en Ieskletter (Gr) betekenen dat de vogel het ijs stuk klopt en er overheen hobbelt. Maar men weet dat de snavel niet echt dient om er een bijt mee in het ijs te hakken. Als Sluuswachter (ZVl) spiedt hij vanaf de sluisdeur in het water. Ook Waterspecht en Ieshop (Maa) geven weer dat hij een forse snavel heeft en bovendien fraai gekleurd is. Naar z’n blauwe kop en rug heet hij IJspaake (Lb) en Iespauwtje (ZVl). Ook IJsvink is waarschijnlijk ontstaan op grond van kleurigheid in een winters scenario, waarin tevens Vinken te zien zijn. In vroeger tijden was z’n Germaanse naam Eisenvogel ofwel ‘ijzeren vogel’. Zijn metaalblauwe rugkleur kwam toen overeen met die van ijzeren sieraden. Door wijzigingen in de techniek veranderde later de kleur van het ijzer en had de vogelnaam er geen binding meer mee. Door het gedrag van de vogel in de winter kwam men op de gedachte de naam in te korten tot Eisvogel.

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ijsvogel* [vogel] {ijsvogel, isvoghel 1287} middelhoogduits isvogel, oudhoogduits isfogal, maar daarnaast oudhoogduits iserno, isarar [ijzervogel]. Het is volmaakt onduidelijk waarom de vogel zo heet.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ijsvogel m., + Hgd. eisvogel, Zw. isfågel, De. isfugl: zou een vervorming van ijzervogel zijn met de bet. ijzerkleurige vogel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ysvoël: meer as een soort seevoël (Alcedo ispida, Dacelo gigas, fam. Alcedinidae); Ndl. ijsvogel.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ijsvogel* scharrelaarachtige 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut