Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ijf - (taxus (geslacht Taxus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ijf zn. ‘taxus (geslacht Taxus)’
Onl. in de plaatsnamen iberga (letterlijk ‘ijfberg’) ‘Isbergues (Frans-Vlaanderen)’ [1138; Gysseling 1960], Iueta ‘Hijfte (Oost-Vlaanderen)’ [1187; id.]; mnl. ieve ‘taxus’ in daxus ... hiewe hetement in onse tale ‘de taxus noemt men iewe in onze taal’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], in een later afschrift van dezelfde tekst uwe [ca. 1375; MNW], in de plaatsnaam Ywehorst ‘IJhorst (Overijssel)’ [1292; van Berkel/Samplonius]; vnnl. ibenboom, yevenhout [1567; WNT], iif, ijf-boom [1599; Kil.], ievenboom, -hout [1599; Kil.], in de 17e eeuw nog vaak de vorm iben(boom).
De moderne vorm ijf is op regelmatige wijze ontwikkeld uit mnl. *iwe, welke laatste vorm alleen in plaatsnamen is geattesteerd. Daarnaast komt al bij Van Maerlant in de 13e eeuw de vorm ieve/iewe voor. Deze is wrsch. ontstaan door volksetymologische verwarring met een geheel ander woord, namelijk mnl. ieve ‘hondsdraf’, oorspr. wrsch. ‘klimop’ (zoals in andere Germaanse talen, bijv. Engels ivy ‘klimop’). Het woord duikt pas weer op in de 16e-eeuwse woordenboeken, als iben- bij Junius en Kiliaan (die dit Hollands/Fries noemt), ieven- bij Kiliaan (die dit Vlaams noemt), en ook ijf- bij Kiliaan; alle in samenstellingen met -boom en/of -hout. De vormen met -b- verraden Duitse invloed.
Mnd. īwe en ohd. īwa (mhd. īwe, ībe, ībar, nhd. Eibe); < pgm. *īwō- (v.); daarnaast uit pgm. *īwa- (m.): oe. īw, ēow (ne. yew); on. ýr (nzw. idegran, met tweede lid gran ‘naaldboom’). Ten slotte ook nog varianten met velaar: ohd. īgo < *īgan-; os. īch; oe. ēoh; < pgm. *īha-.
Verwant met Litouws ieva ‘vogelkers’, Oudpruisisch iuwis ‘taxus’; Russisch íva ‘wilg’; Oudiers eo ‘taxus’ (Gallisch ivo-, Welsh ywen); < pie. *h1eiH-ueh2. Met ablaut ook: Latijn ūva ‘druif’; Grieks oíē, óē, óa ‘lijsterbes’; < pie. *h1oiH-ueh2. De wortel *h1eiH- duidde misschien een bepaalde kleur aan; het is ook denkbaar dat de naam betrekking had op de giftige bessen van de boom.
De standaardtalige aanduiding voor deze boomsoort is → taxus. IJf is dus eigenlijk verouderd of gewestelijk, en hetzelfde geldt voor andere varianten, zoals iebenboom en ievenboom. De ijf was een belangrijke boom in de Germaanse mythologie en had als altijdgroene boom net als de kerstboom een grote symbolische waarde.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ijf [taxus] {ijfslot [tak, loot van een taxus] 1379} < frans if [taxus], ontleend aan het germ., vgl. iebenboom.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ijf znw. m. ‘taxus’, mnl. ijf, Kiliaen ievenboom en (Fland.) ijfboom. Algemeen germ. woord, vgl. os. īch, ohd. īwa, īga v., īgo m. (nhd. eibe), oe. īw, ēow, ēoh (ne. yew), on. ȳr. — gall, ivo-, oiers eo, kymr. yw ‘taxus’, lat. ūva ‘druif’, gr. oíē, óa ‘kwalsterbezieboom’, lit. ievà, jievà ‘vuilboom’, opr. iuwis ‘taxus’, osl. iva ‘wilg’, maar tsjech. jiva ‘taxus’, arm. aigi ‘wijnstok’; idg. grondvorm *eiu̯o (IEW 297).

De vormen met gutturaal kunnen secundair zijn, maar ook een andere idg. vorm *eiko representeren. — Zie verder: iep.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ijf znw. Kil. ieven-boom en (“Flandr.”) ijf(boom), mnl. ijf m. (Mnl. Handwdb.). In andere germ. talen komen voor: ohd. îwa, îga v., îgo m. (nhd. eibe v.), os. îch m., ags. îw, êow, êoh m. (eng. yew), on. ŷr m. “taxus, ijf”. Aangezien de niet-germ. talen ook een w hebben: kymr. yw-en, ier. eo “taxus”, russ. íwa (alg.-slav.) “wilg”, lit. jëwà “vuilboom”, opr. iuwis “taxus” (’t laatste wellicht uit ’t Ndd.) (ook hierbij gr. oíē, óa “kwalsterbezieboom”?), zullen we ook voor ’t Oergerm. *îwa-, -ô- moeten aannemen en niet *îχwa-: *îʒwa-, -ô-. De vormen met ʒ en χ zijn dan echter lastig te verklaren. Uit ’t Germ. fr. if “taxus”; aan invloed hiervan wordt de ndl. f wel toegeschreven. Bij Vondel en nog zuidndl. komt iep = “taxus” voor. Zie iep, en zie ook eik.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ijf. Voor de germ. vormen met ʒ bij een grondvorm met -w- mag men brug vergelijken. Naast ʒ en w kon licht ook χ opkomen naar het voorbeeld van gevallen met gramm. wisseling χ - ʒ en χ - w – Fr. if uit het Kelt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ijf m. (taxus), Mnl. ijf, uit Fr. if. Het woord bestaat in ’t Germ. : Ohd, îwa (Mhd. îwe, Nhd. eibe), Ags. íw, éow (Eng. yew), On. ýr, — in ’t Kelt.: Ier. eo, We.. yw, Bret. ivin. — en in ’t Sl.: Osl. en Ru. iwa. Lit. jëwà. Onzeker is of Fr. if aan ’t Germ. of ’t Kelt. ontleend is. Niet verwant met ifte noch ijp.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut