Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ijdeltuit - (iemand die erg ijdel is)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ijdel bn. ‘zinloos; pronkzuchtig’
Onl. īdil ‘zinloos’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. idel ‘leeg; vergeefs’ [1240; Bern.], idel pinsinge ‘vruchteloze gedachten’ [1270-90; CG II, Moraalb.], drome die idel sijn ‘dromen die onbetekenend zijn’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], ene ydele ende opgeblasen groefheit ‘een ingebeelde en opgeblazen aardsheid’ [1485; MNW]; vnnl. ijdel ‘onbetekenend, onbeduidend, lichtvaardig’ [1599; Kil.], mijn aenslagh is verbrod en ydel en onnut ‘mijn plan is mislukt’ [1637; WNT], ijdel ‘pronkerig, pronkzuchtig’ in al haer ydel dingen, Perels, diamanten, ringhen [1643; WNT], al d'ydele Joffrouwen [1646; WNT].
Alleen West-Germaans: os. īdal ‘ijdel, leeg’ (mnd. idel); ohd. ītal ‘leeg’ (mhd. itel, nhd. eitel); ofri. idle ‘vergeefs’; oe. īdel ‘ijdel, leeg’ (ne. idle); < pgm. *īdala-. Misschien ook on. illr ‘slecht’ (> ne. ill ‘ziek’) (nzw. illa ‘slecht’).
Buiten het Germaans heeft dit woord geen zekere verwanten.
De oudste betekenis ‘leeg’ is volledig verouderd, hoogstens nog bekend van de bijbelse uitdrukking ijdelheid der ijdelheden uit de Statenvertaling (Pred. 1:2), ook nog zo in de NBG-vertaling van 1951, in de nieuwe bijbelvertaling van 2004 weergegeven met lucht en leegte. De uit ‘leeg’ ontstane specifieke betekenis ‘zinloos, vergeefs’ is eveneens verouderd, behalve in enkele vaste verbindingen als ijdele hoop of ijdele moeite en in het werkwoord → verijdelen. In de 17e eeuw voltrok zich de betekenisverschuiving van ‘zinloos, onnut’ via ‘onbeduidend’ en ‘geen gegronde reden tot trots vormend’ (bijv. in ydel dingen (over sieraden) en ijdele hoogmoed) naar ‘pronkzuchtig, verwaand’.
Wegval van de intervocalische -d- heeft geleid tot → ijl 2 en → iel.
ijdeltuit zn. ‘pronkzuchtige persoon’. Vnnl. dese ijdele tuiten ‘deze leeghoofdige wufte vrouwen’ [begin 16e eeuw; MNW tute], ijdel-tuyte [1599; Kil.], een Ydel-tuyt ... de welcke soo sy uren lang voor den spiegel gestaen hadde [1688; WNT]. Samenstelling met mnl. tute (zie → tuit), dat o.a. betekende ‘in een punt uitlopende haardracht van vrouwen; vlecht’, ‘puntige vrouwenmuts’, en overdrachtelijk ook ‘lichtzinnige vrouw’. IJdeltuit werd dan ook oorspr. alleen gezegd van vrouwen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ijdeltuit* [iemand die erg ijdel is] {ydele tuiten 1501-1525} van ijdel + tuit [schenkkan, vlecht, lichte vrouw].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

ijdeltuit

Een ijdeltuit is een nuf, een pronkster, een modepop, een vrouw die erg op fraaie kleren is gesteld. Het tweede deel van de samenstelling: tuit, betekent: wufte, lichtzinnige vrouw; het eerste is het bijvoeglijk naamwoord ijdel, dat eigenlijk betekent: ledig, het tegendeel van vol. Nog betekent de samengetrokken vorm: ijl ongeveer hetzelfde. Men verstaat er onder: dun, luchtig. Uit de oorspronkelijke betekenis vloeit voort die van: zonder werkelijke waarde, zonder geestelijke inhoud. Daarmee is die van: lanterfantend, lichtvaardig, nauw verwant. En daaruit vloeit de betekenis: met zichzelf ingenomen, praalziek, voort. In het woord ijdeltuit gaan dus twee slechte eigenschappen schuil: lichtzinnigheid en pronkzucht.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ijdeltuit znw. v. komt reeds in de 16de eeuw voor als ijdele tuiten, waarin tuiten ‘wufte vrouwen’ betekent.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ijdeltuit znw., reeds in de 16. eeuw ydele tuiten, wsch. niet = “ingebeelde tuiten”, maar = “leege (met bijgedachte: “lichtzinnig”) tuiten” op te vatten: tuiten = “wufte vrouwen”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

ydeltuit s.nw.
Iemand wat baie ingenome is met hom- of haarself.
Uit Ndl. ijdeltuit (16de eeu), 'n samestelling van ijdel 'met jouself ingenome' en tuit 'ligsinnige vrou, babbelkous'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ydeltuit: behaagsieke pers., fat; Ndl. ijdeltuit, (sedert 16e eeu) ydele tuiten, lg. wsk. in bet. “wufte vroue”, v. ook ut II, tuit.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

ijdeltuit: persoon die erg met zichzelf ingenomen is, die veel aandacht aan zijn uiterlijk besteedt; ijdel iemand. Oorspronkelijk alleen van vrouwen gezegd. Reeds in de zestiende eeuw opgetekend.

‘Ja,’ zegt zij, ‘jammer genoeg is het ook onnoodig er meer over te praten, de jonge ijdeltuit heeft het zelf al bekend, dat gij zijn maitresse geweest waart!’ (De Groene Amsterdammer, 23/01/1887)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ijdeltuit* iemand die erg ijdel is 1501-1525 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal