Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ijdelheid - (ledigheid, eigendunk)

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid, in de eerste betekenis soms gevolgd door en najagen van wind, alles is schone schijn, zonder zin en inhoud; uitgesproken als serieus of ironisch commentaar op ijverige inspanningen om bezit of roem te verwerven; (ironisch) het toppunt van ijdelheid of overdreven aandacht of waardering voor het eigen uiterlijk of de eigen persoon.

IJdelheid der ijdelheden, met deze woorden zet de auteur van het bijbelboek Prediker in hoofdstuk 1:2 zijn wijze beschouwingen in en hij besluit ermee in hoofdstuk 12:8. De toevoeging over het najagen van wind is uit hoofdstuk 1:14. Deze formulering komt voor in de traditionele bijbelvertalingen en is een aan het Hebreeuws ontleende constructie die wel de Hebreeuwse genitief wordt genoemd. Deze drukt het toppunt van een bepaald verschijnsel uit, in dit geval van ijdelheid in de nu wat verouderde betekenis van 'leegte', 'zinloosheid'. Deze zedenles luidt in de woorden van de Statenvertaling (1637), moraliserend in de marge: 'dat Salomo [die gezien wordt als de auteur] te kennen geeft, dat alle aerdsche dingen ons niet en konnen helpen om tot de ware gelucksalicheyt te komen'. Vóór deze vertaling waren het de katholieke bijbels die deze formulering gebruikten, als weergave van de Vulgaat met het parallelle vanitas vanitatum Zie ook Vanitas. De Nieuwe Bijbelvertaling heeft gekozen voor lucht en leegte, een keuze die veel discussie teweegbracht en een nieuwe bijbelse uitdrukking schiep. Zie Lucht.
IJdelheid der ijdeheden wordt ook wel eens iemand toegevoegd die te lang voor de spiegel staat, of erg met zichzelf ingenomen is. Hier is ijdelheid gebruikt in de tegenwoordig gewone betekenis van 'aandacht voor zichzelf' e.d.

Leuvense Bijbel (1548), Prediker 1:2. Idelheyt der ydelheden heeft gheseyt Ecclesiastes ydelheyt der ydelheden, ende tes alle ydelheyt.
Prediker heeft gelijk: ijdelheid der ijdelheden, alles is ijdel. Ons past nederigheid. (NRC, sept. 1994)
'De Bekering' [roman van Alfred Kosmann] is het treurspel van die ijdelheid der ijdelheden: roem! (Het Vaderland, 11-1-1958)
[Over onleesbare autobiografische schetsen vol 'geleuter':] IJdelheid der ijdelheden. Alleen de koekoek roept zijn eigen naam. (De Standaard, 6-1-1990)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ijdelheid der ijdelheden (vert. van Hebreeuws hăvel hăvālīm)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut