Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

iets - (een of ander ding); (enigszins)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

iets vnw. ‘een of ander ding’; bw. ‘enigszins’
Mnl. dits iets groets ‘dit is iets groots’ [1340-60; MNW-R], laet mi yets wat spreken toten volke ‘laat mij iets tot het volk zeggen’ [1384-95; MNW-P], niemen van hen [heeft] iets gewaget ‘niemand van hen durfde iets te doen’ [1393-1402; MNW-R]; nnl. ook als bw. iets ‘enigszins, enigermate’ in iets achteruit [1727; WNT].
Ontstaan uit iet ‘iets’ [1201-25; CG II, Floyr.], onder invloed van het oudere → niets, waarin de -s de uitgang is van een oude partitieve genitief. Iet is een samentrekking van onl. iowiht ‘iets’ [ca. 1100; Will.] > mnl. iewet [1282; CG I, 675], dat is gevormd uit een eerste lid ie- ‘om het even wat’, zie → ieder, en een tweede lid dat correspondeert met → wicht ‘schepsel’, waarvan de oorspr. betekenis ‘ding’ moet zijn geweest.
Bij onl. iowiht: os. ēowiht; ohd. iowiht (nhd. verouderd icht; het eerste lid et- in etwa(s) ‘iets’ heeft een heel andere etymologie); oe. āwiht > āht (ne. aught, ought ‘iets, wat dan ook’).
ietwat bw. ‘enigszins’. Mnl. ‘iets’ in die dor u soude doen iet wat ‘die namens u iets zou kunnen doen’ [1340-60; MNW-R], ‘enigszins’ in dat ic yet wat seker bin ‘dat ik enigszins veilig ben’ [1430-50; MNW-P]. Gevormd uit iet en → wat; wat kon in het Middelnederlands ook al de betekenis ‘iets, enigszins’ hebben. Of deze vorm beïnvloed is door het bestaan van mhd. etwaz (nhd. etwas) is onduidelijk; hetzelfde geldt voor mnl. ietwes, waarin wes wrsch. de genitief van wat is.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

iets* [een onbepaalde zaak] {iet 1201-1225, iets 1348} de s werd later toegevoegd, waarschijnlijk o.i.v. niets; de vorm is samengesteld uit middelnederlands ie (vgl. ieder) + wicht2 [wezen], vgl. oudsaksisch, oudhoogduits eowiht, oudengels ā(wu)ht, ō(wu)ht (engels aught).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

iets voornw., mnl. ietes, iets naast het gewone iet (dit ook nog dial.), dat vervormd werd tot iets, deels onder invloed van niets, deels uit constructies als iet(e)s wat (zie: ietwat). — Naast mnl. iet staat het oudere iewet, iewent, vgl. os. ohd. ēowiht, iowiht, oe. āwuht, āht, ōwuht, ōht (ne. ought), een samenstelling van het onder ieder behandelde ie en wicht.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

iets onbep. vnw. In ’t Mnl., oud- en dial. Nnl. komt in de bet. “iets” de vorm iet voor. Wsch. is iets geabstraheerd uit iet(e)s iet, iet(e)s wat, waarin iet(e)s de gen. van iet was, maar die men als copulatieve uitdrr. voelde, op één lijn staande met ietwat. Vgl. nhd. nichts “niets”, uit mhd. nihtes niht. Dat iets uit ietwes zou ontstaan zijn, is niet aannemelijk. Gew. stelt men mnl. iet en iewet “iets” (waarnaast met jongere n iewent; zie ooit) met ohd. os. eowiht, iowiht, ags. âwuht, âht, ôwuht, ôht (eng. ought) gelijk; voor’t eerste lid zie ieder, voor ’t tweede zie wicht. Veeleer echter is ’t tweede lid van mnl. iet en niet “niets” en ook van onfr. niewet “id.”, os. niet “niet”, ofri. âwet “iets” het pronomen * χwat (ndl. wat) “wat, iets”; vgl. ags. hwæth(w)ugu “iets”. Vgl. niet.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

iets, naast ouder iet zal mede onder invloed van het reeds mnl. niets opgekomen zijn: vgl. niets Suppl. — Voor de mening, dat het 2e lid van mnl. iet, niet en onfr. niewet ‘niets’, os. niet ‘niet’, ofri. âwet ‘iets’ het pronomen wat zou zijn, is geen grond; deze vormen zijn stellig identisch met de eerder genoemde ohd. os. eowiht, iowiht enz.; vgl. mnl. (wvla.!) nichtemee(r) ‘evenmin’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

iets voornw., uit Mnl. ietes, iet; cf. Mhd. ichtes, icht en z. niets.

iet voornw., . Mnl. id., iewet, Os. eowiht + Ohd. id. (Mhd. icht, Nhd. icht in nicht), Ags. áwuht (Eng. aught), Ofri. áwet: saamgest. uit *ie (z. ieder) en wicht = wezen, voorwerp (z. wicht), dus = ergens een voorwerp. Weinig waarschijnlijk zou 2e lid Ndl. en Fri. wat zijn en niet wicht gelijk in de andere talen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

get (onbep. vnw.) iets, wat; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) get < Aokens jet.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

iet [+]: hou verb. m. Ndl. iet en kom veral voor in uitdr.: as niet kom tot iet (WAT s.v. iet1) en in ouderwetse iet(s)wat.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

iets Samen met eentje behoort iets tot de vaagste borrelnamen aller tijden. Je moest je dorst toch wel heel erg willen versluieren om deze laffe term te gebruiken. Maar hij kwam voor, omstreeks de eeuwwisseling, tot ergernis van een zekere J. Verdonck. In 1903 schreef Verdonck, in een artikel over eufemismen in het tijdschrift Noord en Zuid:

Bedwelmende drank noemt men dan liefst òf dranken, òf heel deftig spiritualiën, en verder heet het eene hartversterking, een kleinigheid, iets, een druppeltje, en dergelijke meer.

Iets is een verkorting van iets sterks, of iets sterks is een uitbreiding van iets — bij gebrek aan voldoende oude bewijsplaatsen is de volgorde van een en ander niet vast te stellen. Zeker is dat ook de Engelsen deze minderwaardige borrelnaam kennen, als something. Uitbreidingen ervan zijn something cool, something damp, something short, something moist en something wet. In het Surinaams-Nederlands wordt iets korts gebruikt voor ‘een borrel’. Een Surinaams-Nederlands woordenboek geeft als voorbeeldzin: ‘Ik heb geen dorst, doe mij maar iets korts.’ Een long drink wordt in Suriname wel iets langs genoemd.

[Donselaar 213, 228; NZ 26:461, 467]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ieder. Dit woord bevat in zijn eerste lid het thans verdwenen bijw. van tijd ie, dat feitelijk ’t bijw. is van een z.n.w., ’t welk in ’t Got. aiw-s luidde (de s is 1e naamvals-uitgang) en dat eeuwige tijd, te allen tijd bet. (ons „eeuw” herinnert er nog aan). Dit ie kreeg de bet. van: onverschillig welken tijd, onverschillig wanneer; immers als iets eeuwig is, bestaat het te allen tijde, onverschillig welk oogenblik men neemt. Zoo schreef men nog ± 1555: „Beter dan al den wijn, die ye (= ie) op wijnstock ghewassen is.” Zoo kreeg ie in andere samenstellingen de bet. van: algemeenheid, onverschillig wie of wat. Dit is ook het geval in ieder, dat oorspr. bijv. in ’t Os. ieh wethar luidde; dit laatste lid bet. wie van beide. Ieder wilde dus oorspr. zeggen: onverschillig wie van beiden, en bij uitbreiding: onverschillig wie van allen; d.i. elk van hen: niemand uitgezonderd.
Ook in iegelijk komt bedoeld ie voor; het tweede lid gelijk bet. in sommige oude Germ. samenstellingen: elk, zoodat iegelijk bet.: elk, wanneer of waar ook; dus: onverschillig wie; elkeen.
Evenzoo is iemand (waarvan de d is toegevoegd; zie Arend, vgl. „Hi sach oft dar el yman ware” = iemand anders): een man, onverschillig wie het zij.
Ook in iets komt ie voor: het luidde oorspr. bijv. in het Os. eo-wiht, waarin eo = ie, en wiht = wicht, ding; zoodat het woord bet.: onverschillig welk ding. Dit iewiht werd verkort tot iet (bijv.: „Indien iet bij dwalinge gedaen is,...”), maar is later verdrongen door iets, op zijn beurt samengesteld uit iet-wes, waarin wes de 2e naamval is van wat, letterlijk: iet van wat. De vorm ietwat komt nog wel voor, evenals ietwes nog bij Bilderdijk: „willig d’eenen ietwes in.” (In ’t Hgd. is ons iets nog etwas.)
Evenzoo leeft in het dialectisch iewers het oude ie nog voort, het bet.: onverschillig waar, ergens. „Is er ievers een hofstede opengevallen?” (Streuvels.) Zie ook Immer.
De vormen niemand, niets en nieuwers zijn natuurlijk ontkenningen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

iets ‘onbepaald voornaamwoord’ -> Fries yts ‘onbepaald voornaamwoord’; Duits dialect † iets ‘onbepaald voornaamwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

iets* onbepaald voornaamwoord 1348 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1634. Als niet komt tot iet, is 't allemans verdriet,

of als niet komt tot iet, kent iet zich zelven niet, d.w.z. als iemand van geringe afkomst vrij snel, niet altijd door eigen verdienste, vooruit komt in de wereld, wordt hij dikwijls verwaand (vgl. Spreuken, XXX, 22-23). Volgens Harreb. II, 52 is deze zegswijze sedert de 16de eeuw opgeteekend in spreekwoorden-verzamelingen. In de litteratuur vond ik haar in Seven D.Seven Duyvelen regeerende en vervoerende de Hedendaeghsche Dienstmaegden, door S. de V., t' Amsterdam, 1682. 216: 't Oude kreupel-rijm seght: Als niet koomd tot yet, soo ist allemans verdriet; Paffenrode, ed. 1711, bl. 110: Als niet komt tot yet, soo kent 't syn zelven niet; Tuinman I, 256; Halma, 380; Sewel, 522; De Arbeid, 18 April 1914, p. 4 k. 2: Helsdingen en Schaper zijn de levende voorbeelden van het gezegde: als niet komt tot iet, is het allemans verdriet; 5 Dec. 1914, p. 2 k. 4: Wie van niet komt tot iet, is een allemansverdriet; oostfri. de van nêt kummt to êt, dat is allemanns Verdrêt (Wander III, 1015). Ook in Zuid-Nederland: als niet komt tot iet, kent iet zijn zelven niet (zie o.a. Waasch Idiot. 302). (Aanv.) Vgl. nog Ndl. Wdb. VII, 2156.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut