Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

iep - (loofboom (geslacht Ulmus), olm)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

iep zn. (NN) ‘loofboom (geslacht Ulmus), olm’
Vnnl. yepenboom ‘olm’ [1567; WNT], de jonge nieuwe geplante Ypen, Eycken ofte andere Boomen [1593; WNT smijten]; daarnaast in de vormen ijpenboom, eipenboom ‘olm’ [1599; Kil.]; nnl. iepenboom [1787; Marin NF].
Herkomst onbekend. Het woord komt uitsluitend voor in het Nederlands, het Fries: yp, ipe(re)nbeam, en het Rijnlands: Effe, Iffe, Ipfe. De boom heet in het BN en verouderd NNolm < Latijn ulmus; ook de andere Germaanse talen en het Frans hebben een met olm verwant woord. Het Frans kent echter ook ypréau ‘iep’ [1801; TLF] < ypereau [1694; TLF] < yppereaus [1432; TLF], waarvan wordt aangenomen dat het een geoniem is, genoemd naar de Belgische stad Ieper, Frans Ypres, waar zeer veel van deze bomen zouden zijn geweest. Hetzelfde wordt aangenomen van Spaans olmo de Ipre; Duits Iper(baum) is ontleend aan het Frans. Voor de herkomst van de plaatsnaam Ieper bestaan twee theorieën; afleiding van de boomnaam, zonder verdere opheldering van de herkomst daarvan, of afleiding van de oude riviernaam Iepere, thans Ieperlee.
Dat ook de Nederlandse boomnaam van de plaatsnaam Ieper zou zijn afgeleid, lijkt zeer onwaarschijnlijk: benoeming van een boom naar een plaats is hoogst ongebruikelijk, en bovendien zou men dan ieper verwachten i.p.v. iep. Wellicht moet gedacht worden aan ontlening aan een voor-Germaanse substraattaal; dat kan dan ook gelden voor de Franse boomnaam en voor de riviernaam. Voor substraatherkomst pleiten het betekenisveld flora en de gevonden klinkervariatie: naast de vorm iep, die Standaardnederlands is geworden, en de gediftongeerde vorm ijp bestaat de gewestelijke vorm Kempens eep. Die laatste vorm is wrsch. al zeer oud, want hij is in de Middeleeuwen door Nederlandse kolonisten meegenomen naar oosten van Duitsland, waar hij dialectisch voortleeft als äp (Teuchert 1972). Met Fries yp [18e eeuw], als dat althans geen ontlening aan het Nederlands is, wijst dit alles op een klinker pgm. *ai. Mogelijk is er verband met de naaldboomnaam → ijf.
Lit.: H.M. Heybroek (2002), ‘Ulmen in Geschichte und Kultur’, in: Mitteilungen der Gesellschaft für dendrologische Geschichte 87, 147-161

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

iep [loofboom] {yepenboom 1567, yp 1653} zonder verwanten in andere talen; etymologie onbekend, misschien verband met ijf.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

iep znw. m., sedert Kiliaen, die bij iepenboom opgeeft Sicamb. Holl. Daarnaast vinden wij de vorm ijp in Beierland, Drechterland; dat kan er op wijzen, dat de ie uit oostelijke dialecten naar het Westen is doorgedrongen (vgl. een gelijk verschijnsel in de boomnaam beuk).

Daar de naam alleen nl. voorkomt (nhd. dial. iffe is naar de bet. niet geheel zeker, misschien ook ‘iep’) is de herkomst van het woord moeilijk aan te geven. Opmerkelijk is het zuidnl. gebruik van iep voor ‘taxus, ijf’; bestaat er verband tussen de woorden iep en ijf? IEW 297 brengt onder de idg. wt. ei- ‘roodachtig, bont’ als boomnamen *eiu̯o, zie: ijf en *eiko, vgl. os. īchas mv. ohd. īgo, oe. īh, ēoh met dezelfde bet. Zou men een variantwortel *eibo mogen aannemen? — Het nnd. nhd. iper, fri. iperenbeam is overgenomen < fra. ipréau, vgl. spa. olmo dIpre, dus afgeleid van de stadnaam Ieper, Ieperen, waarvan de afl. uit de boomnaam iep echter zeer onzeker is. — Een ablautsvorm is Kempens eep, dat vroeger wellicht meer verbreid was, want het is met nl. kolonisten naar het gebied van de Altmark en Teltow gebracht, waar het nog leeft als äp, vgl. Teuchert Sprachreste 211.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

iep znw., sedert Kil., die iepenboom “Sicamb. Holl.” noemt. De ie is de dial. representant van germ. î: de vorm ijp komt nog dial. (Beierland) en als spellingvariant voor. Kil. kent ook de vormen ijpen-, eipenboom. Fr. ipréau, nhd. nnd. iper v., fri. iperenbeam, spa. olmo d’Ipre “iep” zijn van den stadsnaam Yperen afgeleid; hiervan zoekt men den oorsprong weer in den boomnaam iep. De oorsprong van iep is onzeker. Als hd. dial. iffe — vooral als eerste compositielid — terecht met de bet. “iep” wordt opgegeven, zou die vorm er op wijzen, dat iep een oud woord is. Het zuidndl. gebruik van iep = “taxus, ijf” doet ’t vermoeden opkomen of de boomnaam iep wellicht een door vervorming ontstane bijvorm van ’t onder ijf besproken woord is.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

iep. Daar de diphthong juist in holl. diall. voorkomt (Beierland, Drechterland) zal men in de alg.-ndl. vorm geen holl. ie-relict, maar eerder een ospr. oostel. vorm moeten zien: vgl. de boomnaam beuk.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ijp m. (olm), + dial. Hgd. iffa: oorspr. onbek.; niet verwant met ijf en ifte. Aan ijp ontleent de stad IJperen (cf. Eekeren van eek) haar naam; van hier dan Hgd. iper en Fr. Ipréau.

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Iep (gladde (veld)), Ulmus minor
Ulmus: betekent olm of iep.
Minor: de plant of een deel van de plant is (meestal) kleiner dan leden van hetzelfde geslacht.
Gladde iep: de naam ‘iep’ is pas een paar eeuwen oud en men weet niet precies wat het betekent. Het nog altijd gebruikte Nederlandse naam ‘olm’ is verwant met het Latijnse ‘ulmus’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

iep ‘loofboom’ -> Duits dialect Äp, Ipern, Ipernbôm ‘loofboom’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

iep loofboom 1567 [WNT] <?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut