Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

iemand - (een of andere persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

iemand vnw. ‘een of andere persoon’
Onl. ieman ‘iemand’ [ca. 1100; Will.]; mnl. ieman, iman [1240; Bern.], iemen [1236; CG I, 24], dan met -t: imant [1285-86; CG I, 1097].
Continentaal-West-Germaanse samenstelling, waarvan het eerste lid correspondeert met mnl. ie ‘altijd, ooit’, zie → ieder; het tweede lid is → man in de oude betekenis ‘mens’. De betekenis is dus ‘een of andere mens’. Dit is een van de oudste Nederlandse woorden met een zogeheten paragogische -t, zie → arend.
Os. eomann (mnd. ieman(t), iemen); ohd. ioman (mhd. ieman, iemen; nhd. jemand); ofri. ammon, emmen, immen (nfri. immen).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

iemand* [de een of andere persoon] {ieman, iemen 1236, iemant 1285-1286} van middelnederlands ie, je [ooit, altijd] (vgl. ieder) + man; de t is later toegevoegd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

iemand voornw. mnl. iemant (met de paragogische dentaal zoals in arend, mijnent), naast ieman, iemen, os. eoman, ohd. eoman, ioman (nhd. jemand), ofri. ammon, emmen, immen. Het betekent eig. ‘ooit een man’ en is samengesteld dus uit ie (zie: ieder) en man.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

iemand onbep. vnw., mnl. iemant (met secundaire t, d, vgl. arend, mijnent) naast ieman, iemen (nog dial.) = ohd. eoman, ioman (nhd. jemand), os. eoman, ofri. ammon, emmen, immen. Oorspr. = “ooit een man”. Voor ’t eerste lid zie ieder, voor ’t tweede zie man.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

iemand voornw., Mnl. ieman, Os. eoman + Ohd. id. (Mhd. ieman, Nhd. jemand), Ofri. ammon en ammant: met paragog. d uit *ie- (z. ieder) en man = ergens een mensch.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

iemand, iemes (onbep. vnw.) iemand; Vreugmiddelnederlands ieman <1100>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ieder. Dit woord bevat in zijn eerste lid het thans verdwenen bijw. van tijd ie, dat feitelijk ’t bijw. is van een z.n.w., ’t welk in ’t Got. aiw-s luidde (de s is 1e naamvals-uitgang) en dat eeuwige tijd, te allen tijd bet. (ons „eeuw” herinnert er nog aan). Dit ie kreeg de bet. van: onverschillig welken tijd, onverschillig wanneer; immers als iets eeuwig is, bestaat het te allen tijde, onverschillig welk oogenblik men neemt. Zoo schreef men nog ± 1555: „Beter dan al den wijn, die ye (= ie) op wijnstock ghewassen is.” Zoo kreeg ie in andere samenstellingen de bet. van: algemeenheid, onverschillig wie of wat. Dit is ook het geval in ieder, dat oorspr. bijv. in ’t Os. ieh wethar luidde; dit laatste lid bet. wie van beide. Ieder wilde dus oorspr. zeggen: onverschillig wie van beiden, en bij uitbreiding: onverschillig wie van allen; d.i. elk van hen: niemand uitgezonderd.
Ook in iegelijk komt bedoeld ie voor; het tweede lid gelijk bet. in sommige oude Germ. samenstellingen: elk, zoodat iegelijk bet.: elk, wanneer of waar ook; dus: onverschillig wie; elkeen.
Evenzoo is iemand (waarvan de d is toegevoegd; zie Arend, vgl. „Hi sach oft dar el yman ware” = iemand anders): een man, onverschillig wie het zij.
Ook in iets komt ie voor: het luidde oorspr. bijv. in het Os. eo-wiht, waarin eo = ie, en wiht = wicht, ding; zoodat het woord bet.: onverschillig welk ding. Dit iewiht werd verkort tot iet (bijv.: „Indien iet bij dwalinge gedaen is,...”), maar is later verdrongen door iets, op zijn beurt samengesteld uit iet-wes, waarin wes de 2e naamval is van wat, letterlijk: iet van wat. De vorm ietwat komt nog wel voor, evenals ietwes nog bij Bilderdijk: „willig d’eenen ietwes in.” (In ’t Hgd. is ons iets nog etwas.)
Evenzoo leeft in het dialectisch iewers het oude ie nog voort, het bet.: onverschillig waar, ergens. „Is er ievers een hofstede opengevallen?” (Streuvels.) Zie ook Immer.
De vormen niemand, niets en nieuwers zijn natuurlijk ontkenningen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

iemand ‘onbepaald voornaamwoord’ -> Negerhollands imand ‘onbepaald voornaamwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

iemand* onbepaald voornaamwoord 1236 [CG I Gent]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

op iemand zijn, jeugdtaal voor ‘verliefd zijn op iemand’.

Maar ook dat vieze meisje dat briefjes schreef aan jongens: ‘Ik ben op jou.’ (Annemarie Oster: Brieven naar boven, 1992)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut