Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

idioot - (stompzinnig, bespottelijk; onnozel); (idioot persoon)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

idioot bn. ‘stompzinnig, bespottelijk; onnozel’; zn. ‘idioot persoon’
Mnl. ydioot zn. ‘onontwikkelde man’ [ca. 1330; MNW]; vnnl. idioet “een mensch daar geenen grooten gheest in en is” [1562; Kil.], idioot [1589; WNT verstooten I]; nnl. idioot ‘een onwetende, botterik, onnozele hals’ [1824; Weiland], ‘een zwakzinnige’ [1856; WNT]. Dan pas als bn. idioot ‘zwakzinnig’, in dat haar kind idioot was [1889; WNT], en ‘onzinnig, bespottelijk’, in jou idiote gevoeligheid [1889; WNT].
Al dan niet via Frans idiote (bn. en zn.) ‘ongeletterd(e)’ [eind 12e eeuw] ontleend aan Latijn idiōta of idiōtēs ‘leek, amateur’< Grieks idiṓtēs ‘leek, onbekwame’, zie → idioom. Ook de latere betekenissen zijn aan het Frans ontleend: eerst ‘zwakzinnig(e)’ als psychiatrische term, een betekenis die in het Frans bestond vanaf de 17e eeuw (Rey); dan ook ‘bespottelijk’ in het algemene spraakgebruik.
idiotisme 2 zn. ‘stompzinnigheid’. Nnl. eerst in de Duitse vorm idiotismus ‘id.’ [1847; Kramers], dan idiotisme ‘id.’ [1872; van Dale]. Als medisch neologisme ontleend, in de oudste vindplaats via het Duits, aan Frans idiotisme ‘ongeletterdheid’ [1611; Rey], later ‘stompzinnigheid’ [1730; Rey] en in die betekenis een medische term [1773; Rey]; eerder bestond al Engels idiotism ‘aangeboren dwaasheid’ [1611; OED] en ‘gebrek aan kennis of beschaving’ [1635; OED]; ook al in deze betekenis Laatgrieks idiōtismós. Idiotisme wordt gevoeld als afleiding van idioot met het achtervoegsel → -isme, waardoor het gelijkluidende woord idiotisme ‘taaleigenaardigheid’, zie → idioom, is verouderd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

idioot [gek] {1330 in de betekenis ‘dom, onontwikkeld’} < frans idiote [idem] < latijn idiota [onwetend, onervaren persoon] < grieks idiōtès [gewoon burger, niet-vakman, leek, ongeschoold, onontwikkeld, man uit het volk], van idios (vgl. idioom).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

idioot

Het Griekse woord idiotès betekent: ambteloos burger, in tegenstelling tot: bestuurder van de staat. Vandaar dat het ook ging aanduiden: eenvoudig, onwetend mens, leek. Die betekenis vindt men tot in de zeventiende eeuw terug. In 1599 wordt in een kerkelijk voorschrift bepaald, dat geen idioten tot het predikambt zullen worden toegelaten ‘tenzij dan dat sij Sonderling van Godt begaeft sijn’.

Pas in de nieuwere tijd wordt idioot in medische zin gebruikt voor iemand met onontwikkelde hersenen, een stompzinnig, achterlijk mens. Uit de betekenis onwijs ontwikkelde zich die van: dwaas, onzinnig, belachelijk. Dan gaat men het ook gebruiken voor zaken en niet meer alleen voor personen. Het is doodgewoon te zeggen: wat ’n idiote hoed heb jij op, doe niet zo’n idioot voorstel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

idioot znw. m., mnl. idioot ‘onontwikkelde’ < lat. idiotes < gr. idiṓtēs ‘privaatman, leek’, afgeleid van ídios ‘eigen, bijzonder’. In Frankrijk treedt reeds vroeg (uit geleerdenhoogmoed der klerken) de bet. ‘onontwikkelde, zwakzinnige’ op. Zo gebruikt 1526 Paracelsus reeds idiotisch als ‘krankzinnig’.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† idioot znw., bnw., mnl. idioot m. ‘ongeletterd, onontwikkeld man’. Uit gr.-lat. idiôtes. De jongere bet. ‘zwakzinnige’ wsch. onder invloed van fr. idiot.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

idioot s.nw.
1. Onontwikkelde, stompsinnige persoon. 2. (sielkunde) Verstandelik agterlike persoon met 'n IK van minder as 25.
Uit Ndl. idioot (al Mnl. in bet. 1, 1874 - 1876 in bet. 2).
Ndl. idioot uit Fr. idiote uit Latyn idiota 'oningeligte, onervare persoon' uit Grieks idiotès 'gewone burger, leek'. Die term in die sielkunde is 'n veel later ontlening aan Fr.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

idioot: stompzinnig, achterlijk mens; belachelijk persoon; dwaas. In het Middelnederlands betekende het nog ‘onontwikkelde’. In 1599 werd in een kerkelijk voorschrift bepaald dat geen idioten tot het predikambt zouden worden toegelaten ‘tenzij dan dat sij sonderling van God begaeft sijn’. Het Latijnse woord ‘idiota’ slaat op een leek, een ondeskundig persoon. Het Griekse idiotès had de onschuldige betekenis van ‘(ambteloos) burger; ongeschoolde; man uit het volk’ en was afgeleid van idios (afzonderlijk, persoonlijk).

Hou je snuit, idioot! (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928)
Je kan niet een beetje knap zijn, wel een beetje dom. Halve genieën heb je niet, wel halve idioten. (Gerrit Komrij, Verzonken boeken, 1986)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

idioot ‘zwakzinnige’ (Latijn idiota); ‘gek’ (Frans idiot)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

idioot ‘gek’ -> Indonesisch idiot ‘gek’; Menadonees idiot ‘gek’; Papiaments idiot (ouder: idioot) ‘gek’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

idioot gek 1857 [WNT] <Frans

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

nuttige idioot (vgl. Eng. useful fool), slachtoffer van de communisten; Lenins term voor pacifisten uit het Westen, die door de communisten gemanipuleerd werden.

Alle aktiegroepen, die buiten het hem vertrouwde traditionele veld opereren, zijn in zijn ogen subversief en handlangers van de ‘vijand’ (voor Vandenbussche is er maar één vijand: de Sovjet-Unie). Al deze ‘nuttige idioten’ moesten volgens hem dan ook de toegang tot de BRT worden ontzegd. (Humo, 28/08/86)
Het waren de dagen dat ‘De Telegraaf’ snerend schreef over ‘de nieuwste koerier van het Kremlin’ en dat professionele kremlinologen Van Eeghen ridiculiseerden als een ‘nuttige idioot’ van de nomenklatura. (Elsevier, 09/02/91)
Het eerste dat ik in het Westen kreeg te horen, was dat westerse communisten ‘nuttige idioten’ waren. (Vrij Ned. 22/06/91)
Misschien willen ze ons, nuttige idioten, wat propaganda door de strot duwen, had Erkan die dag geopperd. (Elsevier, 23/07/94)
Toen de veelgeprezen SPD-chef Willy Brandt, de nuttigste idioot van allemaal, in 1986 een bezoek bracht aan Warschau, weigerde hij op verzoek van Jaruzelski de dissidentenvoorman Lech Walesa te ontmoeten. (HP/De Tijd, 07/07/95)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut