Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

idioom - (taaleigen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

idioom zn. ‘taaleigen’
Vnnl. eerst als kunstwoord idioma ‘eigenschap’ [vanaf 1654; Meijer]; nnl. ‘taaleigenschap’ [1805; Meijer], idioma, idiome “de eigenaardigheid, het taaleigen, de tongval; onderscheid van de taal eener stad of landschap van de landtaal” [1824; Weiland], idioom ‘id.’ [1858; Weiland], ook idioom ‘karakteristieke uitdrukkingsvorm van niet-talige kunsten’ [1874; WNT Aanv.].
Al dan niet via Frans idiome [1558; Rey] ontleend aan Laatlatijn idioma ‘zegswijze, streektaal’ [615; Rey] < Grieks idíōma (genitief idiṓmatos) ‘bijzondere eigenschap’, bij het bn. ídios ‘afzonderlijk, persoonlijk, eigen(aardig)’. Zie ook → idioot.
Grieks ídios, uit ouder *whédios, wordt gerelateerd aan óf pie. *sue- ‘zich’ (zie → zich), óf pie. *ui- ‘uiteen, afgezonderd’ (zie → weren).
idiotisme 1 zn. ‘taaleigenaardigheid’. Nnl. idiotismus “eene onregelmatige, gewestelijke uitdrukking, plat provinciewoord, eigenaardigheid van eenen tongval” [1847; Kramers], idiotisme ‘taaleigenaardigheid’ [1914; WNT]. Geleerde ontlening, al dan niet via Frans idiotisme [1558; Rey] of via een andere westerse taal, van Latijn idiotismus < Laatgrieks idiōtismós ‘eigenschap van een onontwikkeld mens’ en ook al ‘eigenaardig taalgebruik’, afgeleid van idiōtízein ‘op zijn eigen manier spreken’, bij idiṓtēs ‘onwetende’, afleiding van ídios, zie boven. Nu verouderd, omdat het gelijkluidend is met idiotisme 2 ‘stompzinnigheid’, zie → idioot. ♦ idioticon zn. ‘dialectwoordenboek’. Nnl. van ieder onzer Provintien, een Idioticon te verzamelen [1778; WNT Aanv.]. Geleerde ontlening, wrsch. via Duits Idiotikon [18e eeuw; WNT Aanv.], van Grieks idiōtikón, zelfstandige vorm van het bn. idiōtikós ‘van de gewone man, alledaags’ van idiṓtēs ‘gewone man; onwetende’, afleiding van ídios, zie boven. Engels idioticon is van 1842, in het Frans komt het woord niet voor.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

idioom [bijzondere eigenaardigheid van een taal] {ideoma 1824} < frans idiome [idem] of direct < latijn idioma [idem] < grieks idiōma [bijzondere gesteldheid], van idioomai [ik eigen mij toe], van idios [afzonderlijk, persoonlijk, eigen].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

idioom (Frans idiome)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

idioom ‘bijzondere eigenaardigheid van een taal’ -> Indonesisch idiom ‘bijzondere eigenaardigheid van een taal’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

idioom bijzondere eigenaardigheid van een taal 1824 [WEI] <Frans of Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut