Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

identiteitsbewijs - (persoonsbewijs)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

identiteit zn. ‘(persoons)gelijkheid’
Nnl. identiteit ‘eenzelvigheid, gelijkheid, gelijkvormigheid’ [1824; Weiland], ‘gelijkheid van scheikundige stoffen’ [1842; WNT urethaan], ‘volkomen overeenstemming’ [1847; Kramers], ‘gelijkheid van naam en persoon in juridische zin’ [1874; WNT].
Ontleend, met de gebruikelijke aanpassing van het achtervoegsel -té naar → -teit, aan Frans identité [eind 18e eeuw; Rey], eerder al ydemtité [begin 14e eeuw; Rey], ontleend aan Laatlatijn identitas (genitief -atis) ‘identiteit’, zie → identiek.
De betekenisontwikkeling in het Nederlands verloopt net zo als die in het Frans en het Engels: gelijkheid van zaken (resp. 1327, 1570), van personen (resp. 1756, 1638) en gelijkheid als wiskundig begrip (resp. 1840, 1910).
identiteitsbewijs zn. ‘persoonslegitimatiebewijs’. Nnl. identiteitsbewijs “bewijs, dat men de persoon is waarvoor men zich uitgeeft” [1917; Kramers II], eerder al identiteitskaart [1912; WNT Aanv.] en voor militairen identiteitsplaatje [1906; WNT Aanv.]. In België kwam een tijd lang het purisme eenzelvigheidskaart [1916; WNT Aanv.] of bewijs van eenzelvigheid voor.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut