Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

huwen - (in de echt treden, trouwen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

huwen ww. ‘in de echt treden, trouwen’
Onl. in de afleiding hiuuisci ‘familie, geslacht’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. huwen ‘trouwen’ in ghehuwet sin ‘getrouwd zijn’ [1236; CG I, 23], ook houwen ‘id.’, in want ic ben eerlijc ende wale ghehout, ende hebbe enen edelen man ghetrout [1400-20; MNW-R].
Huwen is ontwikkeld uit onl. *hīwan. Lange ī + w werd in het mnl. uw, maar in Brabant en Holland mnl. ouw. In het Middelnederlands kwamen beide vormen huwen en houwen voor. In het sterk Hollands getinte Vroegnieuwnederlands (bijv. bij Vondel en Bredero) was houwen de meest voorkomende vorm. Met gesyncopeerde -w- bestond het woord als mnl. hien /hiën/, maar de betekenis hiervan vernauwde zich via ‘geslachtsgemeenschap hebben’ (nog hiwen [1240; Bern.] als vertaling voor Latijn coire) tot ‘beslapen, verkrachten’, zoals in Doe sprac hi ten jonghelinc: hoeveel isser daer ghevrijt? Here, ic hebber seven ghehijt [1400-50; MNW]. Tegenwoordig is het woord minder frequent dan het synoniem → trouwen.
Os. gihīwian; ohd. hīwan; oe. hīwian; < pgm. *hīw-jan-, afleiding van de wortel *hīw-, waarbij ook de afleiding *hīwan- ‘echtgenoot, huisgenoot’, dat zelf leidde tot: mnl. hie, huwe ‘echtgenoot; huisgenoot; mannetje’ (zie onder); os. hīwa ‘echtgenote’, hīwun ‘beide echtgenoten’; ohd. hīwa ‘echtgenote’, hīwo ‘echtgenoot’, hīrāt ‘huwelijk’ (nhd. Heirat); ofri. hiōn(a), hiūn(e) ‘echtgenoten, huisgenoten; huwelijk’; oe. hīwan ‘huisgenoten’, hīw-cūð ‘intiem bekend’, hīwrǣden, hīred ‘huisgezin’, hīwisc ‘familie, huishouden’; on. hjú(n), hjón ‘lid van het gezin; dienaar’ (nzw. hjon), mv. ‘echtgenoten’, hýbýli ‘huis, huisgezin’ (nde. hybel ‘studentenkamer’), hýski ‘familie, huishouden’; got. heiwa-frauja ‘heer des huizes’. De wortel *hīw- zal dus ongeveer hebben betekend ‘behorend tot het huishouden’.
Pgm. *hīw- is wellicht verwant met: Latijn cīvis ‘burger’; Sanskrit śḗva- ‘lief, vertrouwd’, śivá- ‘vriendelijk, gunstig’; Lets sieva ‘echtgenote’; van pie. *ḱeiH-u-i (IEW 540).
Nauw verwant met mnl. huwen was het zn. mnl. huwe ‘stamgenoot, huisgenoot, familielid’, dat vooral verscheen in de meervoudsvorm huwen, bijv. hie ende sijn huwen met hem ‘hij, en zijn familieleden met hem’ [1285; CG II, Rijmb.], met dezelfde klankovergang als in het werkwoord. Ook hier is er een variant met oorspr. klinker en met vernauwde betekenis, namelijk mnl. hie ‘mannetjesdier’, bijv. in alse de zoe de eier wacht voetse de hie dach ende nacht ‘terwijl het wijfje de eieren bewaakt, voedt het mannetje haar dag en nacht’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], men seghet datmen onder vissche mach sien die zoen mere dan die hien ‘men zegt dat men onder vissen vaak ziet dat de wijfjes groter zijn dan de mannetjes’ [1287; CG II, Nat.Bl.D].
Lit.: Schönfeld 1970, par. 54

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

huwen* [trouwen] {huwen, houwen 1236} oudfries hiōn [echtgenoten], oudsaksisch hiwian, oudhoogduits hiwan, vgl. bv. oudsaksisch hiwa [echtgenote], oudhoogduits hievo [echtgenoot], gotisch heiwa-frauja [heer des huizes]; buiten het germ. latijn civis [burger], grieks keimai [ik lig]. ‘Liggen’, ‘gevestigd zijn’, ‘vertrouwelijk omgaan’ zijn begrippen die in elkaars verlengde liggen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

huwen ww., mnl. hûwen, houwen ‘huwen, uithuwelijken’, os. hīwian, ohd. hīwan, < germ. *hīwian, naast oe. hīwian < *hīwōn. — Afl. van *hīwa, vgl. got. heiwa-frauja ‘heer des huizes’, oe. hīw-cūð ‘intiem bekend’, on. hȳbȳli ‘huis, huisgezin’. Verder zijn nog te noemen mnl. hīe ‘mannetje’, ohd. hīwo ‘echtgenoot’, hīwa v., os. hīwa ‘echtgenote’ en os. hīwun, ohd. hīwun, hīun mv. ‘de beide echtgenoten’, ofri. hiōn, hiōna, hiūn, hiūne ‘echtgenoten, huisgenoten, huwelijk’, oe. hīwan ‘huisgenoten’, on. hjū, hjōn, hjūn o. ‘lid van het gezin, dienaar, mv. echtgenoten’. — lat. civis ‘burger’, oi. śeva- ‘genegen, lief’, śiva- ‘vertrouwd, lief, heilzaam’, lett. sewa ‘vrouw’. — Zie nog: heem en onguur.

IEW 539 stelt als idg. wt. *ḱei op met de bet. ‘liggen: ligplaats, woonplaats; vertrouwd, lief’. Daarentegen gaat J. Trier, Zs der Savigny-Stift. f. Rechtsgesch. 65, Germ. Abt. 1947, 249 van een wt. *ḱei ‘gevlochten omheining’ uit, waarmee een aannemelijke betekenisontwikkeling tot ‘familiekring’ en ‘woning’ verkregen wordt. Uit den aard der zaak blijft ook deze verklaring hypothetisch.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

huwen ww., mnl. hûwen, houwen “huwen, uithuwelijken”. = ohd. hîwan, os. hîwian (komt alleen met gi- samengesteld voor) “huwen”, wgerm. *χîwian, waarnaast *χîwôn in ags. hîwian “id.”. Een afl. van germ. *χîwa- (got. heiwa-frauja m. “heer des huizes”, on. hŷ-bŷli o. mv. “huis, huisgezin”, ags. hîw-cûð “intiem bekend”), waarvan ook mnl. hîe m. “mannetje”, v. “wijfje”, ohd. hîwo m. “echtgenoot, huisgenoot”, hîwa v. “echtgenoote”, (w)un o. mv. “beide echtgenooten, familia”, os. hîwa v. “echtgenoote”, hîwun (in sin-hîwun) mv. “echtgenooten”, ofri. hiôn(a), hiûn(e), (owfri.) hîne mv. “echtgenooten, huisgenooten, huwelijk”, ags. hîwan mv. “huisgenooten”, on. hjû, hjôn, hjûn o. “iemand die bij ’t gezin hoort, dienaar”, mv. “echtgenooten”, e.a. afleidingen. Germ. *χîwa- < idg. *ḱei-wo- = ier. cia “echtgenoot, man”, lat. cîvis (in de i-klasse overgegaan) “burger”, oi. çéva- “vriendelijk, dierbaar”, vgl. nog met w-formans lett. sëwa “vrouw”, en verder de bij heemraad en onguur geciteerde woorden benevens arm. sêr “liefde, genegenheid”. Men leidt al deze woorden af van den wortel ḱei- “liggen”, er op wijzend, dat “vestiging, zich ergens bevinden, stam, geslacht, bijeenbehooren, vertrouwelijk zijn” verwante begrippen zijn. Van dit ḱei- komen gr. keītai, oi. çéte “hij ligt”, gr. koítē “ligplaats”, on. hîð o. “berenhol”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

huwen o.w., Mnl. id., Os. hîwian + Ohd. hîwan: denomin. van *huw, *hij = echt, Mnl. hie = mannetje, wijfje + Ohd. hîwi = echt, hîwa = echtgenoot, Ags. híw-, On. hjú = man en vrouw, Go. heiwa- = huis, waaruit blijkt dat de normale Ndl. vorm die is met ij, terwijl in den anderen de u aan den invloed der w te wijten is: verg. Hgd. hei-rat (een afleid. als dageraad), en hijlikmaker + Skr. wrt. çi, Lat. civis (= burger), Oier. cia = echtgenoot, Osl. sěmĭ, Lit. szeimýna = familie.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Huwen (Os. hiwjan) is een denom. van een z.n.w., dat in ’t Got. heiwa = huis luidde; ’t woord bet. dus: tot huisgenoot maken. In huwelijk is lijk oorspr. dans; dus dit woord ziet op het trouwfeest. De vorm hijlijk is feitelijk juister dan huwelijk, zooals uit de Germ. talen blijkt, en komt als hijlik nog wel voor, o.a. in hijlikmaker, de huwelijkskoek, dat door volksetymologie verbasterde tot hijligmaker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

huwen ‘trouwen’ -> Frans dialect houyon, houillon ‘getrouwd man’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

huwen* trouwen 1236 [CG I Gent]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut