Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

huwelijk - (echtverbinding; de echtelijke staat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

huwelijk zn. ‘echtverbinding; de echtelijke staat’
Mnl. huwelic gedan ‘in het huwelijk getreden’ [1236; CG I, 29], in wettelijke huwelike ‘in wettige echt’ [1286; CG I, 1097], met vormvarianten o.a. hiwelec [1240; Bern.], houwelic [1278; CG I, 416], huweleec [1301-25; CG I, 64]. Al vroeg, maar zeer infrequent, ook in de betekenis ‘geslachtsgemeenschap’ [1240; Bern.], zo ook in ter vierder nacht sullen wi ... in ons selues uwelic wesen [1285; CG II, Rijmb.].
Oude samenstelling uit de stam van het werkwoord → huwen en een Proto-Germaans woord *laik ‘spel, sprong’ dat in het Middelnederlands geattesteerd is als leec ‘lied, gezang’ [1265-70; CG II, Lut.K]. De vorm huweleec komt inderdaad nog voor, maar de laatste, onbeklemtoonde lettergreep werd algauw afgezwakt tot lic en volksetymologisch vereenzelvigd met het achtervoegsel → -lijk (mnl. -lic).
Mnd. hillik, hīlich; ohd. hīleih ‘huwelijk’; nfri. houlik; en vergelijk bovendien ne. wedlock ‘huwelijk’, dat volksetymologisch o.i.v. lock ‘slot, verbintenis’ uit oe. wedlāc is ontwikkeld.
Uit pgm. *laik-: ohd. leih ‘melodie, gezang’; oe. lāc ‘spel, sport’, -lāc ‘actie, het gebeuren’; on. leikr ‘spel, sport’ (nzw. lek); got. laiks ‘dans’. Daarnaast staat het werkwoord *laikan- ‘springen, dansen, spelen’, waarvoor zie → lego.
In de andere Germaanse talen kwam het tweede lid als simplex nog voor in betekenissen als ‘spel’, ‘dans’ en ‘gebeurtenis’ en in afgeleide werkwoorden die ‘dansen, springen, spelen’ betekenen. Wrsch. is een huwelijk dus oorspr. een ‘dans of feestelijke plechtigheid die tot het ceremonieel van de bruiloft behoort’, waaruit dan bij overdracht de betekenis ‘het huwen’ en ‘de echtverbintenis, het gehuwd zijn’ ontstaat. Het kan echter ook zijn dat juist de betekenis ‘geslachtsgemeenschap’ de oorspronkelijke is, ofwel letterlijk ‘de huw-daad, het huw-spel’. Uit de oudste attestaties van deze samenstelling in de Germaanse talen is dit niet meer te achterhalen.
Net als bij het bijbehorende werkwoord huwen geldt ook voor huwelijk dat in het Vroegnieuwnederlands vooral de Hollandse vorm met ou, dus houwelij(c)k, frequent was. Ook een variant met de oorspr. klinker ī kwam voor, vooral in de samengetrokken vorm hijlik en vandaar hijliken ‘huwen’ en hijlikmaker ‘koppelaar’. Dat laatste woord is nog lang bekend geweest in de overdrachtelijke betekenis ‘bepaald soort gebak voor tijdens de bruidsdagen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

huwelijk* [echtverbintenis] {huwelijc, hielic 1236} voor het eerste lid vgl. huwen; het tweede is verwant met oudhoogduits leih [spel, melodie], oudnoors leikr [spel, spot], gotisch laiks [dans], middelhoogduits leichen, gotisch laikan [dansen, springen, spelen]; buiten het germ. grieks elelizein [doen opspringen], oudindisch rejati [laten trillen].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

huwelijk

Dat huwelijk samenhangt met huwen: trouwen, is duidelijk. De moeilijkheid schuilt in het tweede deel van de samenstelling. Het woorddeel‑lijk in huwelijk is niet hetzelfde als‑lijk in: vorstelijk, duidelijk, gewoonlijk, vrolijk, huiselijk en zovele andere woorden. Huwelijk immers is een zelfstandig naamwoord, waarvan het eerste deel een werkwoordstam is en dus het tweede een zelfstandig naamwoord moet zijn. Wij hebben hier te maken met een woord, dat in het Gotisch: laiks luidde en dat: dans, spel, melodie betekende. De oorspronkelijke betekenis is dus: feestelijkheden ter gelegenheid van het sluiten ener echtverbintenis. Een soortgelijke samenstelling vindt men in het Engelse wedlock, waarin‑lock hetzelfde woord is als Gotisch laiks.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

huwelijk znw. o., huwelijc, houwelijc, houwelic, verder (noordnl.) hîlijc zelden hîwelijc, mnd. hillik, hīlich, ohd. hīleih. — Het 1ste lid is het ww. huwen, het 2de lid is het woord *līk, dat te verbinden is met ohd. leih m. ‘spel, melodie’, oe. lāc o. v. ‘strijd, gave’, on. leikr m. ‘spel, spot’, got. laiks m. ‘dans’, waarnaast het ww. mhd. leichen, oe. lācan, on. leika, got. laikan ‘springen, dansen, spelen’. — De bet. is dus eigenlijk: ‘dans, die tot het ceremonieel van het huwelijk behoorde’ (zie J. de Vries, Altgerm. Religionsgesch.2 1, § 302).

Men verbindt gewoonlijk met gr. ligaíno ‘zingen, dansen,’ elelízō ‘zwaaien’, oi. rejati ‘laten trillen’ med. ‘springen, sidderen’, lit. laigýti ‘rondlopen’, oiers lóeg ‘kalf’ (IEW 667). Deze woorden doen denken aan een uitgelaten dans. — J. Trier, Lehm 1951, 16 beschouwt *leika- als een afl. van *lei- (zoals gr. lízei ‘speelt’ en lat. lūdus < *loidos d-afl. zijn). Hij brengt het dan verder bij de groep van leem en komt tot een bet. ontw. ‘leembesmering van de wand’ > ‘vlechtwerk met leem besmeerd’ > ‘go­rdel, kring’ > ‘kring der familie- of dorpsgemeenschap’; in deze zou dus de ‘dans’ zijn opgevoerd; men moet dan ook niet denken aan heftig bewogen dans, maar een in een kring rondgaande reidans, zoals deze nog op de Faeröer gebruikelijk is. Een interessante verklaring, maar met veel zwakke schakels; zij ligt in de lijn van Triers pogingen, de woorden uit concrete situaties te verklaren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

huwelijk znw. o., mnl. hûwelijc, houwelijc, -lic, ook — vooral noordndl. — hîlijc (vgl. hijlikmaker), zelden hîwelijc m. o. Mnl. hûweleec, hûweleic is een antiekere vorm: het tweede lid is nml. een nomen *leec = ohd. leih m. “spel, melodie”, ags. lâc o. (v. m.) “strijd, gave”, on. leikr m. “spel, spot”, got. laiks m. “dans”, behoorend bij mhd. leichen, ags. lâcan, on. leika, got. laikan “zich springend bewegen, spelen” (en secundaire bett.), verwant met ier. loeg “kalf” (ook anders verklaard), gr. elelízō “ik doe trillen, zwaai”, lit. láigyti “wild rondloopen”, oi. réjate “hij springt, beeft, trilt”. Ook ohd. hîleih m. “huwelijk” en mnd. hillik (hîlich) m. “id.” komen voor. Vgl. nog de mnl. samenstt. feestelic “feest”, vechtelic “gevecht” = ofri. fyū̆chtleeck “id.”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

huwelijk. Ags. lâc o. (v.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hijlik o., bijvorm van huwelijk.

huwelijk o., Mnl. huweleic, huweleec, hiwelijc, hilijc + Ohd. hiuleich (Mhd. hîleich): een samenstelling van *huw, *hij = echt (z. huwen) en *leek = dans, spel + Ohd. leich, Ags. lác (Eng. lark en lock in wedlock), On. leikr (Zw. lek, De. leg), Go. laiks + Skr. rejate = springen, Gr. elelízein = zwaaien, Oier. loeg = kalf, Lit. laigyti = rondspringen. Door volksetym. werd het in verband gebracht met de afleidsels op -lijk (cf. bruiloft).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

huwelik s.nw.
1. Wettige verbintenis tussen man en vrou om lewenslank saam te leef, of die troue self. 2. Toestand van in die eg verbind te wees.
Uit Ndl. huwelijk (al Mnl. in bet. 1, 1658 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. huwelijk is 'n samestelling van huwen 'trou' en -lijk, met lg. wat verband hou met o.a. Oudhoogduits leih 'spel, melodie' en Goties laiks 'dans', wat blykbaar dui op die feestelike aard van 'n huwelikseremonie.
Vgl. 1weerlig.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

hu’welijk: Su’rinaams hu’welijk (het, -en), 1. (veroud.) concubinaat van blanke man met zwarte of gemengdbloedige huishoudster. Het grootste gedeelte van de vrouwen, dat een zogenaamd Surinaams huwelijk met blanken sloot, bestond uit gekleurden. Onder de gekleurde vrouwen bestond een streven om met blanken te trouwen of samen te leven (van Lier 75). - 2. concubinaat i.h.a. Als deze trend doorzet, zal de traditionele huwelijksvorm van de Para* veranderen in de richting van het ’Surinaams huwelijk’ dat hoofdzakelijk in Paramaribo een getolereerde instelling is () (Wooding 456). - Etym.: In de oorspr. bet. (1) wordt tot uitdr. gebracht, dat blanke mannen in Sur. indertijd niet officieel mochten of wilden trouwen met een niet-blanke vrouw. - Zie ook: verbond*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

huwelijk ‘echtverbintenis’ -> Chinees-Maleis huelek ‘echtverbintenis’; Negerhollands hywlik, hiewlik ‘echtverbintenis’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

huwelijk* echtverbintenis 1236 [CG I1, 29]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2295. Een huwelijk met den smallen trouwring,

d.i. een huwelijk met meer dan één vrouw; zie Handelingen der 1e Kamer, 1922-1923, bl. 610: Zij (de Duitsche Militaire Overheid) verspreidde toen een geschrift, waarin bepleit werd om aan de welgestelde mannen het recht te geven of den plicht op te leggen meer dan één wettelijke vrouw te bezitten, opdat de nakomelingschap zoo groot mogelijk zou zijn. Dat was dan een huwelijk met den smallen trouwring.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut