Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

huur - (pacht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

huren ww. ‘gebruiken tegen betaling’
Onl. misschien al in de samenstelling forahura, waarvan de betekenis onbekend is [945; Blok], dan in hurlant ‘verhuurd land’ [1133-66; Blok] en hurware ‘gebruik van land, huizen etc. in pacht of huur’ [1125-61; Blok]; mnl. huren ‘tegen betaling gebruiken’ [1240; Bern.].
Het woord is uitsluitend Noordzee-Germaans: mnd. hūren (> nhd. heuern, nzw. hyra); ofri. hēra (nfri. hiere); oe. hýrian (ne. hire); < pgm. *hūrjan-. Daarnaast het zn. mnl. hure; mnd. hūre (> nhd. Heuer, nzw. hyra); ofri. hēre (nfri. hiere); oe. hýr (ne. hire); < pgm. *hūrjō-.
Verwanten buiten het Germaans ontbreken en de verdere etymologie is dan ook duister. Misschien is pgm. *hur- ontstaan uit pie. *kuh2-r-, dat dan een r-uitbreiding is van de nultrap van de wortel pie. *kueh2-, waaruit Grieks (Dorisch) pa- in pásanthai ‘verwerven’ en pama ‘bezitting’.
Het is niet duidelijk of het ww. huren een afleiding is van het zn. huur of omgekeerd. De betekenis van huren is door de eeuwen heen niet veranderd. Al in de oudste vindplaats in ca. 1000 in het Oudengels staat het woord voor ‘gebruiken van zaken of diensten tegen betaling’.
huur zn. ‘het huren; geldsom waarvoor men huurt’. Mnl. hure ‘huursom’ [1240; Bern.], ‘het huren’ in alle die gene die lant hebben van mi tehure ‘allen die land van mij te huur hebben’ [1282; CG I, 643]. Afgeleid van huren of andersom.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

huur* [pacht] {hure 1350} oudsaksisch hur(i)a, oudfries hēre, oudengels hyr; het woord komt alleen rond de Noordzee voor. Etymologie onbekend.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

huur znw., mnl. hûre v., os. hûra, hûria, mnd. hûre (nhd. heuer), ofri. hêre, ags. hŷr (eng. hire) v. “huur, pacht”. Oorsprong onzeker. Geen idg. basis qū̆r- of ḱū̆r-, qū̆s-, ḱū̆s- heeft een dgl. bet. als wgerm. χûr-. Zie huren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

huur v., Mnl. hure, Os. hûra + Nhd. heuer, Ags. hýre (Eng. hire), Ofri. hére, Zw. hyra, De. hyre: verder verwantschap onzeker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

heur (zn.) huur; Vreugmiddelnederlands hure <1240>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

huur ‘pacht’ -> Duits Heuer ‘loon’; Deens hyre ‘dienst, gage (meestal op schip)’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors hyre ‘gage, loon; dienst’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds hyra ‘pacht’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins vuokra ‘pacht’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands huur ‘pacht’; Papiaments hür ‘pacht’; Sranantongo yuru ‘pacht’; Sarnami yuru ‘pacht’; Surinaams-Javaans yuru ‘pacht’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

huur* pacht 1324-1341 [Stadb. Zwolle I]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal