Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

husselen - = hutselen

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

husselen ww. ‘door elkaar schudden’
Vnnl. hutsen, hutselen ‘door elkaar schudden’ [1573; Thes.]; nnl. husselen “zie hutselen” [1914; van Dale].
Husselen is met assimilatie ts > ss ontstaan uit hutselen, dat een frequentatief is van ouder hutsen zoals in ende hutset den gewonden wel ‘en schud de gewonde goed door elkaar’ [1351; MNW-P], en zie → onthutst en → hossen. De verdere herkomst is onduidelijk, klanknabootsing lijkt mogelijk.
Mnd. hutseken ‘draaien’; mhd. hutzen ‘heen en weer zwaaien, schommelen’, hutschen ‘schuiven’. Daarnaast Frankisch *hottisōn > Oudfrans hochier ‘schudden’ [1155; Rey] (Nieuwfrans hocher).
Aan het Nederlands ontleend is Engels hustle, oorspr. ‘husselen’ [1684; OED], nu met diverse afgeleide betekenissen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

husselen ‘schudden’ -> Engels hustle ‘schudden; duwen, porren; aansmeren (slang); zich haasten; tippelen’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut