Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hurken - (zich krommen met gebogen knieën)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hurken ww. ‘zich krommen met gebogen knieën’
Eerst vormen zonder -r-: mnl. huken ‘hurken’ [1400-50; MNW], huycken neder [1477; Teuth.]; vnnl. hucken ‘hurken, het lichaam naar de grond bewegen’ [1599; Kil.]; dan ook hurcken, horcken ‘hurken’ [1599; Kil.], hurckt ... by my neer (gebiedende wijs) [1615; WNT nederhurken].
Mogelijk is hurken door metathese ontstaan uit een vorm *huck(e)ren, frequentatief van hucken ‘hurken’, dat alleen nog in het BN als hukken voorkomt en dat wrsch. een intensiverende variant is van mnl. huken; dat is ook de geaccepteerde etymologie van Zweeds (vero.) hurka ‘hurken’ [1715; SAOB], naast huka [1621; SAOB], uit Oudnoords hokra, hoka ‘kruipen’. FvW en NEW zien hurcken als contaminatie van een (niet geattesteerd) mnl. *huren ‘hurken’ met hukken. Wel geattesteerd is mhd. hūren ‘hurken’ (nhd. vero. hauern), maar in het Duits is een vorm met -rk- juist weer onbekend.
Bij vnnl. hucken mnd. hucken; nhd. hocken (dial. ook hucken); wrsch. intensiverende nevenvormen bij mnl. huken, huiken; mnd. huken; mhd. hūchen; on. húka (nzw. huka); allen ‘bukken, hurken’. Het is weinig wrsch. dat deze vormen zijn ontstaan uit *hōk-jan- als causatief bij → hoek, en dus een oorspr. betekenis ‘een hoek vormen’ hebben gehad. Daarnaast bestaat mhd. hūren ‘hurken’ (nhd. verouder hauern); on. hoka, hokra ‘kruipen’ (nzw. huka en (verouderd) hurka ‘hurken’). Opvallend zijn de volgende Germaanse vormen met k-: mnd. kūren ‘loeren’ (> nhd. kauern ‘zich bukken, hurken’); on. kúra ‘stil liggen’ (nzw. kura, nde. en nno. kure ‘hurken’); me. (wrsch. < on.) couren ‘sluipen, loeren’ (ne. cower ‘ineenkrimpen, zich klein maken (van angst)’). De synonymie en gedeeltelijke klankovereenkomst met mhd. hūren kan nauwelijks toevallig zijn, maar de aard van dit verband is duister. Wellicht is hūren ontstaan door volksetymologische invloed van een ander woord.
Verdere herkomst onbekend. Er zijn geen Indo-Europese verwanten, maar mogelijk een afleiding van de wortel pie.*keu- ‘zich krommen, buigen’, zoals wellicht in → hoog en misschien ook in → heup, → heuvel, → huig.
Mnd. kūren, on. kúra lijkt een erfwoord te zijn, met parallellen in Grieks gȳrós ‘rond, gebogen’ en Armeens kor ‘id.’. Op de ouderdom van de Germaanse woorden wijst bovendien Fins kuuro ‘hurkende houding; schuilplaats’, dat een Germaanse ontlening is.
hurken zn. mv. ‘fictief lichaamsdeel’. Alleen in de verbinding op de (zijn etc.) hurken zitten ‘hurken’, in sacken op sijn hurcken ‘gaan hurken’ [1611; WNT]; daarnaast ook het zn. hukken bij het ww. hukken ‘hurken’, eveneens 17e eeuw. Wrsch. is de stam van deze werkwoorden als zn. opgevat, maar van een dergelijke woordsoortovergang bestaan in het Nederlands geen andere gevallen. Wat het aspect ‘fictief lichaamsdeel’ betreft is hoogstens vergelijkbaar het woord → lurven. In het Zweeds bestaan de vergelijkbare uitdrukkingen sitta på huk ‘op de hurken zitten’ en (verouderd) sitta på hurken ‘id.’ [resp. 1636, 1789; SAOB].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hurken* [met gebogen knieën zitten] {1599} is wel een afleiding van middelnederlands huren [hurken] (middelnederduits huren), mogelijk dooreen gehaald met hukken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hurken ww., sedert Kiliaen: hurcken, horcken (Holl.), vgl. mnd. hurken. Dit is een k-afl. van een ouder mnl. mnd. huren, mhd. huren (verouderd nhd. hauern). — Het woord is op een beperkt gebied overgeleverd. Daar naast huren ook hukken staat, kan men hurken als een contaminatie opvatten. — Verband met de idg. wt. *keu ‘buigen, bukken’ (waarvoor zie: hok 2) is mogelijk, al geeft IEW 588 vlgg. geen enkel voorbeeld van een idg. afl. *keur of *keus.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hurken ww., sedert Kil., die hurcken, horcken “Holl.” noemt. = mnd. hurken “hurken”. Een k-afl. van mnl. mnd. *hûren = mhd. hûren (verouderd nhd. hauern) “id.”. Oorsprong onzeker. Lat. curvus, gr. kurtós “krom” kunnen bezwaarlijk vergeleken worden, aangezien ze van een e- en niet van een u-wortel komen, zie hor. Eer zouden wij van wgerm. χū̆z-, idg. qū̆-s- uit kunnen gaan (zie daarover bij huis), maar ook die combinatie is heel onzeker. Is soms du.-ndl. hū̆r(k)- onder invloed van de woordfamilie van hukken opgekomen naast kûr-, waarvan nhd. kauern “hurken”, mnl. cûren “de wacht houden”, mnd. kûren “loeren”, meng. couren (uit ’t Noorsch? eng. to cower) “hurken”, de. kure “stil zitten of liggen”, die met gr. gūrós “gebogen, rond” verwant zijn? Voor verdere verwanten vgl. kiel II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hurken ono.w., intens. van *hoeren + Mhd. hûren (Nhd. hauern), waarnevens Mnl. coeren (z. koer 1.): beider oorspr. onbek.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hurken ‘met gebogen knieën op de eigen hielen zitten’ -> Schots hurk; hork ‘met gebogen knieën op de eigen hielen zitten (bij een vuur); lanterfanten; in de modder wroeten als een varken; (fig.) rondsnuffelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hurken* met gebogen knieën op de eigen hielen zitten 1599 [Kil.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut