Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

huppelen - (zich met sprongetjes voortbewegen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

huppelen ww. ‘zich met sprongetjes voortbewegen’
Mnl. Micol ... sach David huppelen ende springhen voer den Here ‘Michal zag David huppelen en springen voor de Heer’ [1460-62; MNW-P], hupplen ‘springen’ [1477; Teuth.]; vnnl. huppelen ‘id.’ [1599; Kil.]. Daarnaast de nevenvorm hubbelen ‘id.’ in mnl. ghij mueght hubbelen en sprynghen alst voghelken ‘je mag huppelen en springen als het vogeltje’ [1485; MNW].
Frequentatief bij huppen ‘springen’, dat evenwel pas later [1599; Kil.] is geattesteerd, evenals de nevenvormen hoppen [1599; Kil.], hippen [1624; WNT]. Wrsch. een klanknabootsende vorming, zie ook het tussenwerpsel → hop 3.
Mnd. huppen; mhd. hopfen, hupfen, hüpfen en hoppeln (nhd. hüpfen en hoppeln); oe. hoppian (ne. hop); on. hoppa (nzw. hoppa); < pgm. *hupjan-, *huppōn-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

huppelen* [zich springend voortbewegen] {hupplen 1477} iteratief van huppen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

huppelen ww., sedert de 16. eeuw. Frequentativum van huppen. In den Teuth. reeds huplync “kikvorsch”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

huppelen. Over de verklaring van germ. pp uit idg. pn, bn, bhn zie bij bakken Suppl. 1e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

huppelen, frequent. van huppen ono.w., + Mhd. en Nhd. hüpfen, Ags. hoppjan (Eng. to hop), On. hoppa (Zw. id., De. hoppe) + Gr. kubistãn/-eĩn = spartelen. Verwant met hobbelen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

huppelen ‘zich springend voortbewegen’ -> Engels hobble (ouder: hopple) ‘kluisteren, (de benen van een paard) aan elkaar binden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

huppelen* zich springend voortbewegen 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal