Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hun - (voornaamwoord)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Wordt ook aangetroffen (zowel als persoonlijk als als bezittelijk voornaamwoord) in het Landrecht van Thorn, uit 1180, echter slechts bekend uit een afschrift uit 1295, zie [1]: "...als gebeden vrunde daerby geroepen, mitt hun to Thoren in hun capittellhuys..." en meer voorkomens.

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

hun, hen vnw. 3e pers. mv.
Als persoonlijk vnw.: onl. im (11x), hin (1x) [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. eerst alleen hem [1236; CG I, 23] en hen; later ook hun, in dat si hun ghehenghich sijn, so waer sijs van hun vermaent worden ‘dat ze hun onderdanig zijn, wanneer ze daartoe door hen worden aangespoord’ [1358; MNW]. Als bezittelijk vnw.: mnl. honne bode ‘hun gezant’ [1450-1500; MNW]; vnnl. hune amptman ‘hun schout’ [ca. 1510; MNW].
Ontstaan uit de datief meervoud, Proto-Germaans *im-, van het persoonlijke voornaamwoord voor de 3e persoon. In het Noordzee-Germaanse gebied en in delen van het Middelfrankische gebied werd een van origine wrsch. aanwijzend partikel h- voor de oorspr. stam geplaatst, zowel bij hun, hen als bij → haar 1, → hem en → hij. Zie onder → hier. In de Wachtendonckse Psalmen ontbreekt deze h- in hem en hun, hen in de meeste gevallen, omdat in het meer landinwaartse dialect van de bewerker ervan op deze plaats geen h gebruikt werd; de vorm hin komt alleen voor in de sterk Middelfrankisch gekleurde tweede psalm.
Os. im; ohd. im, in (nhd. ihnen); ofri. him; oe. him; got. im; < pgm. *im. < pie. *h1eimus.
Onderscheid tussen de datief en de accusatief wordt in het Noordzee-Germaans, inclusief het Oud- en Middelnederlands, voor het mannelijke, vrouwelijke en meervoudige voornaamwoord niet meer gemaakt, zie → haar 1 en → hem. De datiefvorm kwam ook in de accusatief terecht. In het meervoud van het persoonlijk voornaamwoord voor de 3e persoon bestond deze vorm in het Middelnederlands in diverse varianten, waarvan hen en hun de belangrijkste waren. Wrsch. waren dit uitsluitend spellingvarianten van het woord /hən/. Hun en hen worden in de 17e eeuw voor het eerst door naar regulering strevende grammatici (Christiaan van Heule en P.C. Hooft) gepropageerd als standaardvormen voor resp. de datief en de accusatief. Drie eeuwen onderwijs heeft dit kunstmatige systeem in de schrijftaal redelijk goed doorgevoerd. In de spreektaal echter bleef hun de algemene vorm in alle toepassingen, althans in beklemtoonde positie en betrekking hebbend op personen.
In onbeklemtoonde positie had de datief in het Middelnederlands de gereduceerde vorm -en en behield de accusatief de enclitische vorm -se, een gereduceerde variant van si, het huidige → zij 1. In de huidige standaardtaal wordt deze onbeklemtoonde verbogen vorm gespeld als ze.
Stabiel is het gebruik van hun in de spreektaal zeker niet. In de 20e eeuw ontstaat een sterke en uitsluitend NN tendens om hun ook in de nominatiefpositie, als onderwerp, te gebruiken. Vermoedelijk is deze tendens in de spreektaal en/of dialectisch veel ouder [rond 1900; van der Horst 1999] dan in de schrijftaal, waarin het WNT die pas signaleert vanaf 1921 (WNT zij I). Nog recenter, ongeveer vanaf het laatste kwart van de 20e eeuw, is de opkomst van hen ten koste van hun. Zaalberg (1995) wijt dit aan hypercorrectie: hun wordt als nominatiefvorm alom afgekeurd, en de taalgebruiker die zich van deze afkeuring bewust is, vermijdt het woordje daarom ook in andere posities.
Als bezittelijk voornaamwoord in de 3e persoon meervoud bestond in het Middelnederlands alleen → haar 1. Hun is hier vanaf de 15e eeuw geleidelijk voor in de plaats gekomen, aanvankelijk alleen als mannelijke en onzijdige variant; dit onderscheid werd later, vooral in de 18e en 19e eeuw, in het onderwijs en de schrijftaal kunstmatig in stand gehouden, naar analogie van Latijn eorum versus earum. In de standaardtaal en grotendeels ook in de spreektaal, in elk geval de Hollandse, is het bezittelijk voornaamwoord haar volledig vervangen door hun.
Lit.: Van der Horst 1999, 153-157; C.A. Zaalberg (1995), ‘Hunnofobie is hypercorrect’, in: OT 10, 247; Van der Sijs 2004, 478-481: hun en hen

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hun* [objectsvorm van het pers. vnw. 3e pers. mv. en bez. vnw. van de 3e pers. mv.] {1358 als bez. vnw.; 3e pers. mv. 1451-1500} was oorspr. de 3e nv. mv. van hij, naast hen2, maar verdrong de 2e nv. mv. haar en het bez. vnw. haar.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hun bez. vnw. Dit woord was eig. de 3de nv. mv. van het pers. vnw. hun, hen, vgl. onfrank. im, ohd. im, in (nhd. ihnen), os. im, ofri. oe. him, got. im (voor de h zie: hij). — In het laat-mnl. werd dit woord voor het bez. vnw. gebruikt in de plaats van de oude vorm hāre, hēre, huere, die voor de drie geslachten gold. Behoefte aan onderscheiding en contaminatie van constructies als hare kinderen en de kinderen van hen zullen deze ontwikkeling in de hand hebben gewerkt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hun bezitt. vnw. Laat-mnl. heeft zich hun, hen in deze functie ontwikkeld naast hāre, hēre, hȫre, poss. vnw. voor de 3 geslachten mv.; zie haar II. Oorspr. was hun, hen de datief mv. van ’t pers. vnw. van den derden persoon. Het vocaalverschil was oorspr. dialectisch. Dat deze datief bezitt. vnw. werd, kan ten deele toegeschreven worden aan de analogie van mnl. hāre, hēre, hȫre, die dat. en gen. v. enk. van ’t personale en daarna ook possessivum waren. Hun, hen = onfr. im, ohd. im, in (nhd. ihnen), os. im, ofri. ags. him, got. im. Voor de h zie hij.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hun , bijvorm van hen en eigenl. dat. meerv. van hij; verdrong den gen. meerv. haar (d’eux) en het possess. haar (leur), omdat in de ander pron. stam van dat., gen. en poss. gelijk zijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hun (bez. vnw.) hun; Middelnederlands hun <1358>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

hun [+]: as akk. v. d. pers. vnw. mv. en as bes. vnw. het dit blb. vroeër sporadies in die skrt. (twyfelagtig of ook in die sprt.) voorgekom, egter nog in Trig se skrt. (lRo T DLT 240) en mntl. nog later, maar uit die sprt. het dit sedertdien verdwyn en alleen bewaar gebly in ss. soos hulle (q.v.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hun ‘bezittelijk voornaamwoord’ -> Chinees-Maleis hen ‘bezittelijk voornaamwoord’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

hun hebben [‘zij hebben’] (1911). De taalkundige J.A. vor der Hake (1880-1951) signaleert in 1911 als eerste in Nederland het gebruik van hun als onderwerpsvorm (‘hun zeggen, hun hebben het gedaan’). Dat hun wordt aanvankelijk gebruikt door laagopgeleide mannen en is dus een vorm met weinig prestige. Desalniettemin maakt het sinds de jaren negentig veel opgang, en wordt er door taalkundigen veel geschreven over herkomst en verbreiding.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hun* verbogen vorm van het persoonlijk voornaamwoord derde persoon meervoud 1220-1240 [CG II1 Aiol]

hun* bezittelijk voornaamwoord 1358 [MNW]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

k̑o-, k̑e- (mit Partikel k̑e ‘hier’), k̑(e)i-, k̑(i)i̯o- Pronominalstamm ‘dieser’, ursprünglich ich-deiktisch, später auch ‘jener’, k̑i-na ‘hinweg’

Arm. -s ‘Artikel’ (z. B. mard-s ‘der Mensch’), sa ‘dieser’, ai-s ds., a-s-t ‘hier’;
phryg. σεμου(ν) ‘diesem’ (*k̑em + ōi); anders Pedersen Tochar. 259.
gr. Partikel *κε in κεῖνος und ἐκεῖνος, dor. lesb. κῆνος ‘jener’ aus *(ε)κε-ενος; daraus rückgebildet (ἐ)κεῖ ‘dort’, (ἐ)κεῖθι usw.; *k̑i̯o- in σήμερον, att. τήμερον ‘heute’ (*κι̯ᾱμερον), wonach auch *κι̯ᾱετες ‘heuer’ in σῆτες, att. τῆτες, dor. σᾶτες;
lat. -ce, ce-Partikel in ce-do ‘gib her’ (ebenso osk. ce-bnust ‘er wird hergekommen sein’), cēterus ‘der andere, der übrige’ (*cĕ + *etero-, vgl. umbr. etru ‘altero’); hi-c (*hi-ce), hīs-ce, sī-c (sī-ci-ne), illī-c, illū-c, tun-c, nun-c usw., osk. ekak ‘hanc’, ekík ‘hoc’ = pälign. eci-c, marr. iaf-c ‘eas’, esu-c ‘eo’; osk. ídí-k, umbr. ere-k ‘id’, osk. ekas-k ‘hae’, umbr. esmi-k ‘huic’, lat. ecce (wohl aus *ed-ke, s. *e Pron.-St.), osk. um -um erweitert ekk-um ‘ebenso’, nach puz ‘wie’ aus *kuti-s umgebildet ekss ‘ita’; Konglutinat e-ko- z. B. osk. ekas ‘hae’, pälign. acuf ‘hīc’, ecuc ‘huc’, ecic ‘hoc’, *e-k(e)-so- z. B. osk. exac ‘hac’;
*k̑i- in lat. cis ‘diesseits’, citer ‘diesseitig’, citrō ‘hierher’, citrā ‘dieseits’, citimus ‘nächstbefindlich’, umbr. çive ‘citra’ (St. *k̑i-u̯o-), çimu, s̀imo ‘ad citima, retro’;
air. ‘hier, diesseits’ (*k̑ei, vgl. ablautend Ogom coi ‘hier’, gall. κουι), cen (vgl. zum n-Suffix ahd. hina ‘weg’ usw.) ‘diesseits’ (in cen-alpande ‘cisalpinus’) und ‘ohne’, centar ‘diesseits’; gall. etic neben eti ‘auch’ könnte ebenfalls -k̑e enthalten;
anord. hānn, hann ‘er’ (*hānaR, idg. *k̑ēnos aus *k̑e-eno-s), hōn ‘sie’; asächs. , he, hie, ahd. , her ‘er’, nur Nom., ags. hē̆ ds.;
got. himma ‘huic’, hina ‘hunc’, hita n. ‘jetzt’, asächs. hiu-diga, ahd. hiu-tu ‘hoc die, heute’ (: asächs. ho-digo ds.), ahd. hiuru (*hiu-jāru) ‘heuer’, nhd. jetzt, österr. hietz(t), mhd.(*h)ie-zuo (aus *hiu + Postpos. ‘zu’); ahd. hina ‘weg’, nhd. hin, hinweg (vgl. air. cen); got. hiri ‘komm hierher’ (Grundform unsicher); ahd. hëra, as. her ‘hierher’; got. hēr, ahd. hiar, ags. hēr ‘hier’ (*k̑ēi-r); got. hidrē ‘hierher’, ags. hider, engl. hither ‘hierher’ (: lat.citer, citrō), nl. heden ‘heute’, ahd. hitumum, hitamun ‘erst, demum’ (: lat. citimus);
strittig, ob hierher: got. hindana ‘hinter, jenseits’, ags. asächs. hindan, ahd. hintana ‘hinten’, anord. handan ‘von jener Seite her, jenseits’, komparativisch got. hindar, ahd. hintar ‘hinter’, superlativisch got. hindumists ‘hinterster, äußerster’, ags. hindema ‘letzter’, wobei das n von *k̑i-n-t-, *k̑o-n-t dasselbe wie in ahd. hina wäre; oder mit gall. Cintugnātos ‘Erstgeborener’, air. cētne, cymr. kyntaf ‘erster’ usw. zu *ken- ‘frisch kommen, soeben sich einstellen, anfangen’ (oben S. 564) mit der Bed. ‘letzter’ = ‘novissimus’?
apr. schis (Adverb schai ‘hier’), lit. šìs (lett. šis = aksl. ‘dieser’), Gen. lit. šiõ, aksl. sego, Akk. Pl. aksl. sьję, fem. lit. šì (lett. šĩ) = aksl. si, Akk. Sg. f. sьjǫ, lit.šì-tas ‘dieser’ (*k̑i-to-), dazu štaĩ ‘sieh hier’ (alt šitai), apr. stas ‘der’; lit. šiañdien, lett. šùodien ‘heute’, lit. šè, lett. še ‘hier’, aksl. si-cь ‘τοιοῦτος’ usw.;
hitt. ki ‘dieses’, ki-nun ‘jetzt’ enthält *k̑i (Pedersen Hitt. 50).

WP. I 452 ff., WH. I 192 f., 208 f., 222, 390, 644 f., 855, 862, Trautmann 304, Schwyzer Gr. Gr. I 613.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal