Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hulp - (bijstand, steun, het helpen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hulp zn. ‘bijstand, steun, het helpen’
Onl. hulpa ‘hulp’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. hulpe. Daarnaast onl. helpa [ca. 1100; Will.]; mnl. helpe.
Mnd. hulpe; ohd. hulpa (mhd. hülfe, nhd. vero. Hülfe); < pgm. *hulpō-. Daarnaast met voltrap: os. hëlpa; ohd. hëlfa, hilfa (nhd. Hilfe); ofri. hēlpe (nfri. help); oe. help(e) (ne. help); on. hjölp (nzw. hjälp); < pgm. *helpō-. Afleiding van de wortel van → helpen.
In de 13e eeuw zijn helpe en hulpe even frequent, de verdeling is niet duidelijk regionaal bepaald (VMNW). Al in de Middelnederlandse periode neemt de relatieve frequentie van helpe af.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hulp* [bijstand] {oudnederlands hulpa 901-1000, middelnederlands hulpe} middelnederduits hulpe, oudhoogduits hulpa, waarnaast ablautend middelnederlands, oudfries helpe, oudsaksisch helpa, oudengels help, oudnoors hjalp; afgeleid van helpen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hulp znw. v., mnl. hulpe, onfrank. hulpa, mnd. hulpe, ohd. hulpha (nhd. hülfe), waarnaast abl. mnl. helpe, os. helpa, ohd. helfa, hilfa, oe. help (ook helpe v., help m.), on. hjalp. — Afl. van helpen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hulp znw., mnl. hulpe v. = onfr. hulpa, ohd. (éénmaal) hulpa, mhd. (md.) hulfe (nhd. hülfe), mnd. hulpe v. “hulp”. Ablautend met mnl. helpe, ohd. hëlfa, hilfa, os. hëlpa, ofri. hëlpe, hilpe, ags. hëlp (ook hëlpe v., hëlp m.), on. hjalp v. “hulp”. Bij helpen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hulp v., Mnl. hulpe, Onfra. en Os. hulpa + Ohd. hulfa (Nhd. hülfe), nevens Mnl. helpe, Os. helpa, Ohd. helfa, hilfa (Nhd. hilfe): het eerste van den stam van ’t meerv. imp., het tweede van dien van ’t praesens van helpen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hölp (zn.) hulp; Aajdnederlands hulpa <901-1000>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hulp, help ‘het helpen, bijstand; iemand die helpt; (Vlaams) bretel, draagriem’ -> Frans dialect † helpai ‘gescheurd kleed; slecht gekleed iemand (wiens kleding met bretels opgehouden wordt)’; Javaans hèlep ‘hulp(schrijver e.d.)’; Negerhollands help ‘het helpen, bijstand’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hulp* bijstand 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut