Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hulde - (eerbetoon, erkenning)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hulde zn. ‘eerbetoon, erkenning’
Onl. huldi ‘gunst’ [ca. 1100; Will.]; mnl. umbe godes hulde ‘om Gods genade, welwillendheid’ [1200; CG II, Servas], ook ‘trouw, eerbiediging’ in der seluer hulden die ghi onsen here den keyser sculdech sijt ‘dezelfde trouw die u aan onze heer de keizer schuldig bent’ [1340-60; MNW-R]; nnl. ‘eerbetoon, lof’ in hulde aan de zeedigheid [1785; WNT].
Afleiding met umlaut van het bn. dat in het Nederlands tot → hou ‘welwillend’ heeft geleid, vergelijk → gulden 2 naast → goud.
Os. huldi (mnd. hulde, hülde); ohd. huldī, hulda (mhd. hulde, nhd. Huld); ofri. helde, hulde (nfri. hulde); oe. hyldo; on. hylli, hylla (nzw. alleen in afleiding hyllning en in het ww. hylla ‘huldigen’); < pgm. *hulþ-ī(n), een abstractum bij het bn. *hulþa-.
De Middelnederlandse betekenis ‘trouw, eerbiediging’ heeft altijd betrekking op de houding tegenover een persoon die hoger in rang staat, bijv. van leenman tegenover leenheer, onderdaan tegenover vorst, of mens tegenover God. Pas in het Nieuwnederlands begint hulde algemener gebruikt te worden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hulde* [eerbetoon] {houde, hulde [genegenheid, gunst, bescherming, trouw] 1200} oudsaksisch, oudhoogduits huldi, oudfries helde, oudengels hylduhou.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hulde znw. v., mnl. hulde, houde (dit onder invloed van het bnw. hout), os. huldi, ohd. huldi, hulda (nhd. huld), oofri. helde, owfri. hulde, oe. hyldo, on. hylli, hylla. — Afl. van het bnw. *hulþa, waarvoor zie: hou.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hulde znw., mnl. hulde (en houde onder invloed van ’t bnw. hout, -d-) v. Evenals ohd. huldî, hulda v. (nhd. huld), os. huldi, oofri. helde, owfri. hulde, ags. hyldo v., on. hylla v., hylli v. o. abstractum van ’t bij hou besproken germ. bnw., en in al de germ. talen in bet. daarbij aansluitend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hulde v., Mnl. hulde, houde, Os. huldi + Ohd. id. (Mhd. hulde, Nhd. huld), Ags. hyldu, Ofri. hulde, On. hylli: een afleid. van hou 1.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Hulde, van ’t adj. hou (verkorting van houd, Hgd. nog hold) = vriendelijk gezind, getrouw, onderworpen, vooral als plicht van een leenman, vandaar: hulde bewijzen, huldigen.. „Hou(w) en trouw.” Vgl. nog ’t Mnl.: „Ie wil u hulde (gunst) daer met verdienen.” – „Wil di mi wesen hout” (genegen)? en ’t Mnl. houde = hulde, als ridderplicht: „Hi ontboet (van ontbieden) hem sine houde.” Men denkt aan den Oudgerm. wt. hal, waarvan ons hellen (= neigen) afstamt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hulde ‘eerbetoon’ -> Fries hulde ‘eerbetoon’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hulde* eerbetoon 1784-1785 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut