Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

huishouden - (het besturen van het huis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

huishouden zn. ‘het besturen van het huis’
Vnnl. dat men een yeder huys sal geven een halff seyl holts voor sijn huysholt ‘dat men aan elk huis een halve hoeveelheid hout voor de huishouding zal geven’ [16e eeuw; MNW seel], de zorghen ... die geen huishouw kan ontberen ‘huishouding’ [1632; WNT huishoud]; nnl. huishouden ‘het besturen van het huis’ [1785; WNT], ook concreter ‘de staat van, gang van zaken in het huishouden’ [1734; WNT].
Eerder al als werkwoord huis houden, huishouden ‘wonen’: vnnl. huys houden [1567; WNT], daer is Sijn wooning, daer hout Hy Sijn huys [1583; WNT huis]; vandaar ‘een woning (of gebied) besturen’: T' es quaet huyshouwen met onwillighe knechten [1578; WNT huis], int lant van Cleeff houden de keyserse noch huys, ruineren seer de ingesetene ‘in het land van Kleef houden de keizers nog huis en ruïneren ze de ingezetenen’ [1639; WNT huis]; nnl. de Vrouwen weten toch van huishouden! [1784; WNT huis]. Het werkwoord bestaat alleen nog in de ongunstige zin ‘ergens slecht werk doen of zich slecht gedragen’, zie het citaat uit 1639, en bijv. vnnl. hoe de Assyriers in het Joodsche lant souden huys houden ‘zoals de Assyriërs in het Joodse land te keer zouden gaan’ [1637; WNT verheerschen], de Hunnen ... die hier ontrent quaet huys hilden [1667; WNT huis].
Uit de Middelnederlandse periode zijn geen vindplaatsen bekend van de verbinding huis houden. In het Duits bestaat wel al eerder het zn. Haushalt ‘het besturen van een huis’ [15e eeuw; Pfeifer] en een ouder ww. haushalten ‘een huis besturen’. Het is niet duidelijk of de Nederlandse woorden hieraan zijn ontleend of zelf zijn gevormd uit → huis en → houden (in de betekenis ‘iets in goede toestand houden, waken’).
Ook Engels (zn.) household ‘inhoud of inwoners van een huis’ [14e eeuw; ODEE], ‘de gang van zaken in een huis’ [15e eeuw; ODEE]. Ook Zweeds hushållning, hushåll ‘het huishouden’ [1541, 1559; Hellquist].
Een ander woord voor huishouden (zn.) is in het Vroegnieuwnederlands het Latijnse leenwoord → economie geweest.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

huishouden znw. o., in de 17de eeuw < mhd. hūshalten (nhd. haushalten).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

huishouden. Als ww. reeds bij Kil. als één woord geschreven, het o. znw. huishouden komt eerst later (18. eeuw) voor. Reeds mhd. hûshalten ww. (nhd. haushalten).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

huishouden (Duits Haushaltung)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

huishouden ‘huishouding’ -> Engels household ‘inboedel; huisgezin; huishouding’; Negerhollands hou hus ‘huishouding’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

983. Geen huis met iemand kunnen houden,

niets met iemand kunnen beginnen met wien men dagelijks moet omgaan, geen vrede met hem kunnen houden; huishouden heeft hier de algemeene beteekenis van leven met, omgaan met; vgl. Sewel, 350: Met zyn vrouw goed huishouden, to live well with one's wife. In de 17de eeuw bij Bredero I, 291, vs. 554: Ick sou gien huys mitter kunnen houwen, nou se jou smaeck wegh het; Van Effen, Spect. VI, 228: Wy konden geen huis met hem houden, toen hy hoorde dat wy hier naar toe gingen; Halma, 231: Die man houd qualijk huis met zijn wijf, dat is, leeft 'er onrustig bij; Harreb. I, 339 b; Ndl. Wdb. VI, 1233. In Zuid-Nederland: Mee iemand niet kunnen huishouden; geen huis mee iemand kunnen houden (zie Antw. Idiot. 1774); met hem is geen huis te houden, geene overeenkomst mogelijk (Waasch Idiot. 300). Ook in 't fr. faire bon (ou mauvais) ménage avec qqn., het goed (of slecht) met iemand kunnen vinden.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal