Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

huis - (gebouw als woning)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

huis zn. ‘gebouw als woning’
Onl. in plaatsnamen, bijv. Bidningahusum (onbekende ligging in Gelderland) [793, kopie 10e eeuw; Künzel]; hūs ‘huis, hoeve’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. huus ‘woonhuis’, in sint ic in uwe hus quam ‘sinds ik in uw huis kwam’ [1201-25; CG II, Floyr.], hus ‘gebouw, woonhuis’ [1240; Bern.], ‘paleis’ in di hoge koníng artus ... in sínen hus [1250; CG II, Trist.], ‘gebouw van een instelling’ in lazerse hus uan gent ‘melaatsenhuis van Gent’ [1236; CG I, 20].
Os. hūs (mnd. hūs); ohd. hūs (nhd. Haus); ofri. hūs (nfri. hûs); oe. hūs (ne. house); on. hús (nzw. hus); got. in gudhūs ‘tempel’; < pgm. *hūsa-. Daarnaast de afgeleide werkwoorden: mnl. husen (zie onder); mnd. husen; ohd. hūsōn (nhd. hausen); ofri. hūsia; oe. hūsian (ne. house); on. húsa. Het zn. is door het Slavisch ontleend: Oudkerkslavisch chyzŭ ‘huisje’ (Tsjechisch chýše ‘hut’).
Zekere verwanten buiten het Germaans zijn er niet, maar het best valt pgm. *hūsa-, dat terug te voeren is op pie. *kuH-s- (IEW 953), te zien als een s-uitbreiding van de nultrap van de wijdverbreide wortel pie. *(s)keu(H)- ‘bedekken, omhullen’ (IEW 951), zoals in → schuilen en → schuur. Met t- in plaats van s-uitbreiding zijn dan verwant → huid en misschien → hut. Als alternatief kan men denken aan een ontlening aan een voor-Indo-Europese taal, waarbij dan wellicht sprake is geweest van een bepaald nieuw technisch concept, aangezien er ongetwijfeld vóór het tijdstip van ontlening ook een woord voor ‘huis’ moet hebben bestaan (Vennemann 2003).
huizen ww. ‘wonen, huisvesten’. Mnl. husen ‘huisvesten’ in wi sone hust. of hofd. of houd ‘al wie hem op enigerlei wijze onderdak verleent’ [1254; CG I, 54], ook onovergankelijk ‘bouwen’ in an hene oefstede daer ysac die maetsennaere vp ghe houset heuet ‘in een hofstede waar Isaak de Metsenaar in gewoond heeft’ [1274; CG I, 269]. Afleiding van huis. Ook nu nog zowel onovergankelijk als overgankelijk.
Lit.: Vennemann 2003, par. 7.7.17

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

huis* [woning] {in de vroegere Gelderse plaatsnaam Munihchusen <893>, oudnederlands hus 901-1000, middelnederlands huus} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries, oudengels, gotisch hus, oudnoors hús, van een i.-e. stam met de betekenis ‘bedekken’, waarvan ook zijn afgeleid latijn custos [bewaker], grieks keuthein [bedekken, verbergen], welsh cuddio [verbergen], oudindisch kuhara- [grot], kuhu- [nieuwe maan], engels to hide [verbergen]. De uitdrukking geen huis met iemand kunnen houden [niets met hem kunnen beginnen] is van huishouden [leven met, omgaan met].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

huis znw. o., mnl. huus, onfrank. ohd. os. ofri. oe. on. got. hūs; daarnaast on. hauss ‘schedel’. — gr. kústis ‘urineblaas, buidel’ oi. kōṣa- ‘vat, vaatwerk’, kōṣṭham ‘bewaarplaats, onderlijf’, lit. kiauše ‘schedel’, lett. kauss ‘drinknap’, van de idg. wt. *keus, een afl. van *(s)keu ‘bedekken’ (H. Hirt BB 24, 1899, 278; Johansson IF 19, 1906, 125-133; IEW 953). — Zie verder: schuilen.

Het verkleinwoord huisken is overgenomen als ne. husk ‘schaal van vrucht of zaad’ (sedert 1398, vgl. Bense 152).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

huis znw. o., mnl. huus o. = onfr. ohd. hûs (nhd. haus), os. ofri. ags. hûs (eng. house), on. hûs, got. hûs (in gudhûs “tempel”) o. “huis”. Wordt gewoonlijk als idg. *qûdh-s-o- met gr. () keũthos “verborgen diepte”gecombineerd. Verder wordt idg. qū̆-dh-s-, qou-dh-s- wel aangenomen o.a. voor got. huzd o., on. hodd v., ohd. hort o. (mhd. nhd. hort m.), os. hord o., ags. hord m. o. (eng. hoard) “schat” (*qudhz-dho-), kymr. cwthr (*qudhz-dhro-?) “aars, aarsdarm”, lat. custôs “bewaker” (NB. Eer bij hooren), gr. kústhos “cunnus”, kústis “urineblaas, buidel”, oi. kúṣṭha- “lendenholte”, kóṣṭha-” bewaarplaats, voorraadkamer, ringmuur, ingewanden, onderlijf”. Al deze woorden, huis inkluis, kunnen echter evengoed idg. qū̆-s-, qou-s- hebben en op een a priori zeer aannemelijke s-verlenging van de basis qu- berusten. Evenzoo oi. kóṣa- “bewaarplaats, voorraadkamer, scheede”, lit. kiáuszė “hersenpan”. Dit en verwante balt. woorden kunnen echter ook met oi. kóc̣a- “bewaarplaats, bak” op idg. qeu-k̑-, qou-ḱ-teruggaan. Men ziet in oi. kóṣa- ook wel een jongeren vorm voor kóça-; in ieder geval echter kan on. hauss m. “schedel” idg. *qou-so- zijn. Arm. xuc̣ “kamer” < *qhusk̑o- (voor qh vgl. av. xaoδa- bij huid)? Vgl. over idg. qu- bij huid. Zie hoos I. Obg. chyzŭ “huis” uit het Germ.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

huis. Lat. custôs ‘bewaker’ liever hier dan bij ho[o]ren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

huis o., Mnl. huus, Onfra. en Os. hûs + Ohd. id. (Mhd. id., Nhd. haus), Ags. hús (Eng. house), Ofri. hús, On. id. (Zw. id., De. huus), Go. hûs: van denz. wortel als hoos 1 en huid.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hoes (zn.) huis; Aajdnederlands hus <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

huis-, indien gevolgd door de naam van kleding of van een kledingstuk, betekent het dat het kleding betreft die alleen in en nabij huis gedragen wordt. Ze komt in haar groene huisjurk naar beneden (Ferrier 1968: 139). Ze had hem daarvoor gevraagd wat voor soort huisbroeken hij droeg en was zichtbaar geschokt toen hij antwoordde dat hij rondliep in korte broeken waarmee hij niets anders bedoelde dan zijn oude verlepte* schoolbroeken (Vianen 1972: 59). Als we weer thuis zijn, moet ik onmiddellijk mijn huispakje aantrekken (Ferrier 1968: 34). Ook: huiskleren . - Etym.: Bij kinderen staan deze woorden tegenover school-*. In AN verouderend.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

huis 'woning'
Het toponymisch grondwoord huis 'woning' behoort bij de Indo-Europese wortel *keus- 'bedekken'. Het is vaak het tweede deel in samengestelde plaatsnamen, overwegend in datief meervoud met plaatsaanduidende functie, waaraan hier de betekenis 'nederzetting' wordt gehecht. De nominatief meervoud husa is zeldzamer1. De productieve periode van de huizen-namen begint in de 8e-9e eeuw. Het eerste deel is beschrijvend of duidt de eigenaar aan. De toponiemen → Bakhuizen, → Gasthuis, → Tolhuis en → Zethuis wijzen op een speciale functie.
De oudste attestatie is 793 kopie 10e eeuw Bidningahusum, naast 796 idem Bidningahem (ligging onbekend, Gelderland, zie → Biddinghuizen).
Lit. 1ABäG18 55v.

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Huis des Heren, tabernakel en tempel; kerk, kerkgebouw.

In de bijbel geldt Huis des Heren (ook wel Huis Gods) als een van de benamingen voor de tabernakel en tempel, de aan God gewijde plaats waar de heilige voorwerpen bewaard werden, waar God vereerd werd en waar men aan hem offerde. Zie bijvoorbeeld over de tempelbouw in 1 Koningen 7:48: 'Ook maakte Salomo al de voorwerpen in het huis des HEREN, het gouden altaar, en de tafel waarop het toonbrood lag, van goud' (NBG-vertaling). Als aanduiding van kerk of kerkgebouw is de benaming niet algemeen.

Liesveldtbijbel (1526), 1 Koningen 7:48. Ooc maecte Salomo alle vaten die totten huse des HEREN behoorden, te wetene, eenen gulden outaer, een gulden tafele daer die toonbroden op liggen.
In een zeer indringende preek bepaalde hij zijn gehoor bij Romeinen 1 vers 11 en 12. Hij legde uit, dat het niet vrijblijvend is om naar het Huis des Heren te gaan. (Meppeler Courant, mei 1993)
De verweerde Saint Magnuskathedraal van Kirkwall -- het enige Huis des Heren op aarde waar een model van een Vikingschip op de avondmaalstafel prijkt. (NRC, feb. 1994)

In het huis mijns vaders, of van een bepaalde persoon, instelling e.d. zijn vele woningen, in de hemel is plaats voor iedereen; (fig.) er is bij die persoon, instelling e.d. plaats voor mensen van zeer verschillende herkomst of opvattingen.

Het Johannes-evangelie 14:2 citeert Jezus, die zijn gehoor uitnodigt in hem te geloven en zich zo een plaats in het huis van zijn Vader, de hemel, te verwerven: 'In het huis mijns Vaders zijn vele woningen - anders zou ik het u gezegd hebben - want ik ga heen om u plaats te bereiden' (NBG-vertaling; de NBV spreekt hier van 'veel kamers'. De uitdrukking wordt vaak toegepast op situaties waar van grote tolerantie en pluriformiteit sprake is, maar het hiervolgende citaat sluit nauw bij de oorspronkelijke context aan: [Naar aanleiding van een moeizame zoektocht naar bepaalde graven op een kerkhof:] 'Het Huis van de Vader heeft vele woningen, maar meestal ontbreken de huisnummers' (De Volkskrant, 27-6-1999).

Liesveldtbijbel (1526), Johannes 14:2. Jn myns vaders huse zijn veel woeninghen. (In de Statenvertaling (1637): huys mijns Vaders).
'In het huis van vader Freud zijn vele woningen', zo verwoordde Westerman Holstijn later zijn 'rekkelijke' opvattingen [betreft verzet tegen starre en dogmatische benadering van Freuds theorieën]. (De Volkskrant, 6-6-1997)
Waarom de vrijzinnig protestantse omroep? Omdat zijn organisatie kwetsbaar was. Omdat in zijn huis vele woningen waren, bewoond door best aardige mensen. (NRC, dec. 1994)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

huis (in het -- van de gehangene spreekt men niet van de strop) (vert. van Frans il ne faut pas parler de corde dans la maison d’un pendu); (niet om over naar -- te schrijven) (vert. van Engels nothing to write home about); (een uitverkocht --) (vert. van Duits ein ausverkauftes Haus); (van -- uit) (vert. van Duits von Haus aus)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

huis. Mullebrouck (1984) kent de verwensing loop naar huis, uw moeder bakt soep van kriekstenen! In Nederland zouden wij in plaats van krieksteen kersenpit gebruiken. De letterlijke betekenis van de verwensing nodigt uit tot een volstrekt zinloze bezigheid. De emotionele betekenis duidt erop dat men iemand liever kwijt dan rijk is. Deze Vlaamse verwensing is niet hoogfrequent. Slechts 13 van de 111 in 1999 door mij geënquêteerde Vlamingen zeggen haar te kennen. → personeel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

huis ‘woning’ -> Chinees-Maleis huis ‘woning’; Javindo guis, huis, geis, heis ‘woning’; Negerhollands hoes, hus, huus ‘woning’; Skepi-Nederlands huis ‘woning’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † hus ‘woning’ .

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

We gaan nog niet naar huis [liedregel] (1912). Johan de Veer publiceert in 1912 de kinderliedjesbundel Goede bekenden. Daarin vinden we: “We gaan nog niet naar huis, / nog lang niet, nog lang niet.”
Het huis mijns vaders [dichtregel] (1900). De Vlaming Karel van de Woestijne publiceert het gedicht ‘Voor-zang’, dat begint met de woorden ‘Het huis mijns vaders, waar de dagen trager waren’. Van hem is ook de regel ‘’t Is triestig dat het regent in den herfst’, uit het gedicht ‘Koorts-deun’ (1901).

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

huis* woning 0893 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

397. Er is (te veel) dak op 't huis.

Men bezigt deze uitdrukking om te kennen te geven, dat er ongewenschte toehoorders in de nabijheid zijn en het raadzaam is om voorzichtig te zijn in het spreken. Wellicht in eigenlijken zin: er zit iemand op het dak, er is dus meer dak dan er noodig of wenschelijk is; syn. er zit een vlieg op de plank (Harreb. II, 187). Vgl. Tuinman I, 324: Daar is te veel dak op 't huis. Dit zegt men, als 't ergens niet veilig is te spreken, omdat men beluistert kan worden; W. Leevend, VI, 14: Ik dagt niet, dat er dak op 't huis was; nou moeder, je hebt het niet gehoord, hoop ik; Harreb. I, 118; Molema, 66: D'r is te veul dak op 't hoes, er zitten personen bij die ons verhinderen te spreken, wij zijn niet vrij voor 't oogenblik; Draaijer, 7; Bergsma, 83, die naast der is dak op 't huus ook vermeldt der is geen dak op 't huus, we kunnen vrij spreken, er is gelegenheid; Ppl. 215; Twee W.B. 9: Hou je sm .. l. D'r is te veel dak op 't huis; fri. der is to folle tek op 'e skurre. Syn. zijn: Daar zijn latten aan het Huys, lupus in fabula (zie Adagia, II); in Zuid-Nederland er zijn latten aan 't huis (Claes, 132; Antw. Idiot. 747; De Bo, 611; Rutten, 129; Waasch Idiot. 389); er loopen ratten op 't dak (Harreb. I, 119; Schuerm. 522); er is stroo op 't dak (Harreb. II, LXIX; Volksk. 1889, 175); er zijn pannen op 't dak (Harreb. I, 118). De zuidndl. uitdr. er zijn latten aan 't huis herinnert aan de vroegere gewoonte een kruis van latten (soms van stroo) op de deur of tegen het dak vast te maken, als er iemand met een besmettelijke ziekte lag. ‘Latten aan 't dak’ wilde dus zeggen: er is gevaar, er is onraad, opgepast! hd. der Kachelofen steht in der Stube (Wander V, 1477).

412. Met de deur in huis vallen.

‘Dit drukt uit, dat ymand straks met het openen van de deur binnen stapt, zonder te vragen, en antwoord te wachten, of men ook inkomen mag. 't Wordt toegepast op zulke, die zonder omwegen of vertoeven iets verrichten’ (Tuinman I, 157). Oorspr. wil dus de uitdr. zeggen zonder te kloppen of te waarschuwen binnenkomen (in een woning, waar de buitendeur onmiddellijk toegang geeft tot een vertrek) en vervolgens bij uitbreiding onmiddellijk over eene zaak beginnen te spreken, waarop men eerst had behooren te zinspelen of waarop men iemand eerst had moeten voorbereiden. Deze uitdr. is algemeen bekend, en wordt o.a. aangetroffen in de 18de eeuw bij Van Effen, Spectator, V, 220 en in Willem Leevend I, 253: Met de deur in 't huis komen; zie ook Falkl. IV, 194; VI, 146; B.B. 320: Hij gaat zitten bij het raam en begint eerst over koetjes en kalfjes te praten, om niet in eens met de deur in het huis te vallen. In het hd. kent men eveneens mit der Tür ins Haus fallen; in de Rijn-provincie: dä fällt met der Schürendür en het Hûs; in Mecklenburg: de fallt mit de Dähr in 't Hûs (Eckart, 107); oostfri. mit de dör in 't hûs fallen; in het Zweedsch: han föll med dören i hüset, en in het Friesch: mei de doar yn 'e hûs falle. Zie Wander IV, 1192; 1195; 1197; 1199; Bresemann, 270 en Taalgids V, 153.

680. Een goede gevel versiert het (geheele) huis.

Deze zegswijze wordt schertsender wijze toegepast op iemand, die een grooten neus heeft. De neus wordt dan bij den gevel van een huis vergeleken, zooals De Brune, Wetst. I, 97 reeds deed: De schande die yemand overkomt deur 't verlies van zijn neus, de gevel van 't huis, 't cieraat van 't aangezicht, de zetel en de rechte throon van eer. Vgl. ook Huygens, Voorhout, vs. 525; Sewel, 275; Halma, 181: Hij heeft eenen schoonen gevel, eenen grooten neus, il a un maître nez; en Antw. Idiot. 457: goed gegeveld zijn of een goeden gevel hebben, een grooten neus hebben. De Franschen zeggen: Jamais grand nez n'a gâté beau visage; hd. grosze Erker zieren ein Haus. In Holstein kent men eveneens: enn gôden Gäwel ziert dat Hûs (Eckart, 158 en Taalgids V, 158). Zie ook Harreb. I, 234 b; Molema, 122 a; Waasch Idiot. 255: gevel, neus; Teirl. 496: gevele, aangezicht, en vgl. het fri.: in goede foargevel forsiert it hûs.

984. In 't huis van een gehangene spreekt men niet over een strop,

d.w.z. men moet niet iemand spreken over iets, waaraan voor hem onaangename herinneringen verbonden zijn; niet spreken over fouten of gebreken, waaraan men zelf lijdt. De zegswijze schijnt eerst in deze eeuw voor te komen; waarschijnlijk als navolging of vertaling van eene andere taal. Vgl. De Arbeid, 25 Oct. 1913, p. 4 k. 2: In het huis van een gehangene spreekt men niet van touw; Het Volk, 30 Nov. 1912, p. 7 k. 3: In 't huis van den gehangene spreke men niet van de strop, dat spreekwoord kent u. Wil er voortaan aan toevoegen: ‘Noch hange men zich zelf er aan op’; Het Volk, 8 Oct. 1913, p. 5 k. 3: In 't huis van den gehangene spreekt men niet over den strop; Nkr. VIII, 21 Nov. p. 2: Men spreekt niet over den strop in het huis van een gehangene; Nw. Amsterdammer, 19 Juli 1914 p. 1 k. 3; Gron. 250: In 't huis van 'n gehangene praat je niet over de galg; Het Volk, 3 Maart 1915 p. 7 k 1: In het huis van den gehangene pleegt men niet over den strop te spreken; De Telegraaf, 30 Jan. 1915 (avondbl.) p. 9 k. 2: Mr. Troelstra zal goed doen met deze drie spreekwoorden van buiten te leeren: In het huis van 'n gevangene spreekt men niet van een strop. Wie in een glazen huisje zit, moet niet met steenen gooien. - Wie boter op z'n hoofd heeft, moet niet in de zon loopen. Vgl, fr. il ne faut pas parler de corde dans la maison d'un pendu, il ne faut pas réveiller un souvenir fâcheux; hd. im Hause des Gehängten muss man nicht von Stricken reden, nicht Fehler und Gebrechen erwähnen in Gegenwart derer, die daran leiden; eng. name not a rope in his house that hanged himself; in the hangman's house no one speaks of the ropeB.C. Broers en A.A.E.S. Roukens, English Idioms and their Dutch equivalents, bl. 9..

986. Ver van huis zijn,

d.i. ver van zijn doel verwijderd zijn, het mis hebben. Vgl. Sartorius II, 2, 84: Hij loopt al te ver van huys, ubi quis aliena nec ad rem pertinencia dicit, facitve; Campen, 49: Gy syt veer van huys; Vierl. 42: Dewelcke sulcx gesien hebbende meijnen dat se groote practijcijnen daerin sijn - maer zij sijn verre van huijs; Harrebomée I, 342: Hij gaat (of raakt) hoe langer hoe verder van huis; Antw. Idiot. 583: Nog wijd van huis zijn, nog verre zijn van te gebeuren; Tuerlinckx, 279; Rutten, 97: Nog wijd van huis zijn, nog verre van het doel of van het tijdstip zijn.

985. Elk huis heeft zijn kruis,

d.w.z. elk huis heeft zijn lijden, geen gezin blijft geheel voor leed gespaard, of, zooals in de 17de eeuw voorkomt, geen huys en vind-me zonder kruys (De Brune, 402); vgl. verder Goedthals, 55: Elck huysken heeft zyn cruysken; Sart. III, 2, 65: Elck huysken heeft syn kruisken; Heemsk. 204: Elck huysjen heeft syn kruys, elck 't syne vinden sal; Tuinman I, 93; Halma, 230: Daar is geen huis of het heeft zijn kruis; Harrebomée I, 341 a; fri. elke hûs het syn krûs; Waasch Idiot. 300 b: ieder huisken heeft zijn kruisken; zoo ook Teirl. II, 65; Antw. Idiot. 583; Rutten, 98; hd. jedes Haus hat sein Kreuz; eng. every house has its trial.

987. Huizen op iemand bouwen,

d.i. vast vertrouwen in iemand stellen; ook met betrekking tot zijn lichaamsgestel. Vroeger een kerk, een stad, torens of tabernakelen op iemand (kunnen) bouwen. Vgl. Sart. II, 6, 57: Men soude een Kerck op hem bouwen; Gijsbr. v. Aemst. 615: Een krijgsman, op wiens woort men wel een kerk magh bouwen; Brederoo, Sp. Brab. 1906: Voer der lestent niet ien banckerot, daermen een kerck op miende te bouwen? Coster, 509: Een man, rijck, machtich, op wie men sou een stat bouwen; Rodenburg, Poeëtens Borstw. 427: Ick swoer dat in een vrouw de trouwe zelfs bestondt en dat men tabernak'len op heur mocht bouwen; Tuinman I, 160: Gezonde en sterke menschen, op welke men een kerk zoude bouwen; Harrebomée I, 344; Ndl. Wdb. III, 783; VI, 1229; Rutten, 37; Antw. Idiot. 287.

1128. De kerk in 't midden (van het dorp) laten (of houden),

d.w.z. de zaak laten waar ze behoort, haar niet overdrijven, het niet al te dol aanleggen; ook een geschil zoo bijleggen, dat beide partijen tevreden zijn. Vgl. Harreb. I, 150: Laat de kerk in 't midden van het dorp staan; Het Volk, 1 Febr. 1913, bl. 2 p. 7: Wat meer voorzichtigheid in het voorspellen ten opzichte van de thuiswedstrijden is daarom aangeraden en we durven daarom nòch een Dordtsche nòch een Amsterdamsche overwinning te voorspellen, doch zullen de kerk in het midden laten en vermoeden dat het evenals bij Sparta een 1-1 wordt; De Ploeg V, 1 April, binnenzijde omslag: Dies zullen we, als tot nu, de kerk maar in het midden houden; W. Pik, Nieuwe Lectuur IIP. Noordhoff, Groningen, 1912., bl. 192: Zij zou om de oude schuld gaan manen en ik vrees dat ze zich niet met een praatje zou laten afschepen. Daar is ze koopvrouw voor en houdt ze de kerk in 't midden van het dorp; F. Verschoren, Langs kleine wegen, bl. 126: Zorgen dat de kerk in 't midden van de parochie blijft staan; fri. tsjerke en toer (toren) moatte midden yn 't doarp bliuwe, men moet aller belangen zooveel mogelijk behartigen, eene zaak niet overdrijven; Boekenoogen, 812: recht is recht en de kerk in 't midden; Antw. Idiot. 639: de kerk in 't midden (van 't dorp) laten, het verschil in tweeën doen, een geding zoo scheiden en deelen, dat men van weerskanten tevreden zij; Claes, 105: Zorge dat de kerk in 't dorp blijft, zijne eigen of ook andermans belangen behertigen, niet verwaarloozen; Teirl. II, 125; Rutten, 110; Waasch Idiot. 186: Ge moet zien dat de kerk in 't dorp of in 't midden blijft staan, ge moet alles goed schikken, zoo schikken dat alles redelijk zij en blijve; hd. die Kirche muss (mitten) im Dorfe bleiben, warnung vor Ueberstürzung (Wander II, 1338); Lass die Kirche im Dorfe, kehre die Dinge nicht um; man muss es beim Alten lassen, an eingeführten Gebräuchen nicht änderen (II, 1342In 't fr. beteekent il faut mettre le clocher au milieu du village, mettre à portée se qui seit à tous.); syn. is het kerkje bij 't schuurtje laten staan, de feiten mededeelen, zooals ze zijn; het huisje bij 't schuurtje laten; het kastje bij 't muurtje laten blijven, in den zin van ‘het niet te dol aanleggen’.(Aanv.) Vgl. Ndl. Wdb. VII, 2260.

1581. De muren hebben ooren.

Men bezigt deze uitdrukking, wanneer men iemand, die iets vertelt, wil te kennen geven, dat het raadzaam is, voorzichtig te wezen in zijn spreken; ook: in een gesloten vertrek moet men voorzichtig zijn met het behandelen van geheimen. In ongeveer denzelfden zin bezigt men: er is te veel dak (stroobedekking) op het huis of ook huis op 't dak (N. Taalgids XIII, 137; zie no. 397); in Limb. woeë veùl hegge zint, zint oock veùl mussje, waar veel muren zijn, zijn ook veel luistervinken (Jongeneel, 90). In Zuid-Nederland is onze zegsw. ook bekend (zie Waasch Idiot. 449 b; Antw. Idiot. 1909) naast er is look in de meersch (Schuermans, 326 b; De Bo, 648); er staat een boom in den weg (Schuerm. Bijv. 46); fri. der is mot om 'e teannen. Volgens Harreb. II, 111 b komt de uitdr. sedert de 17de eeuw voor. Vgl. het hd. die Wände haben Ohren; fr. les murailles ont des oreilles; eng. walls have ears; zie Wander IV, 1776 en vgl. lat. parietes arcanorum conscios timere.

2694. (Aanv.) Er zijn meer huizen dan kerken,

d.w.z. er is keus genoeg, Men moet zich niet laten ontmoedigen al slaagt men niet aanstonds met een vrijer, een dienst, een dienstbode een huis, enz. Zie Ndl. Wdb. VII, 2260; Harreb. I, 339. De uitdr. komt voor in Kl. Jans Konkelp. 47: Dan (een vrijer tot een meisje) wilt gij niet, 't is wel. Ik zal eens onderzoeken! ... Daer zijn meer huys als kerken. Ook in Zuid-Nederland bekend. In 't fri. der binne mear frouljue as tsjerken.

2670. Zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kasteelen

Deze lof op de zuinigheid, die groote bezittingen doet verwerven, vindt men ook in het Latijn: magnum vectigal est parsimonia, zuinigheid is een groot inkomen (Cic. parad. 6, 3, 49; Senec. monit. 22). Het gezegde trof ik het eerst aan bij Harreb. I, 345; Nkr. IX, 28 Aug. p. 2: Hij weet dat men slechts met zuinigheid en vlijt een huis bouwt zoo duurzaam als een kasteel; Joos, 187: Spaarzaamheid met vlijt bouwt huizen gelijk paleizen. Sparen is een goede rent. Sparen leert vergaren; enz. Wander IV, 662: Sparsamkeit und Fleiss machen kleine Häuser gross. Sparsamkeit ist ein groszer Zoll. Sparen bringt Haben. (Aanv.) Somtijds wordt hier aan toegevoegd: en luizen als kameelen..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut