Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

huilen - (schreien, wenen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

huilen ww. (NN) ‘schreien, wenen’
Mnl. vlen (= ulen) ‘huilen (van honden)’ [1285; CG II, Rijmb.], vlen ‘huilen (van mensen)’ [1276-1300; CG II, Kerst.], huylen [1430-50; MNW-P].
Wrsch. oorspr. een klanknabootsend woord.
Ohd. hūwilōn, hūlōn (mhd. hiulen, nhd. heulen ‘luid wenen’); me. houlen (ne. howl ‘brullen, huilen’); nzw. hyla ‘gillen’. Daarnaast de zn. ohd. hūwila ‘uil’ en hūwo ‘oehoe’; zie ook → uil. Al deze woorden zijn klanknabootsend. De ohd. werkwoorden en zelfstandige naamwoorden zijn wellicht van elkaar afgeleid.
Vergelijkbaar, maar niet verwant, zijn woorden als: Grieks kōkúein ‘huilen, jammeren’; Sanskrit kauti ‘schreeuwen’; Litouws kaukti ‘huilen (van wolven en honden)’.
Gewone woorden voor ‘huilen’ waren in het Middelnederlands screyen, zie → schreien, en wenen, zie → wenen. Mnl. hulen sloeg meestal op dieren (wolven, honden e.d.); bij mensen had hulen altijd onaangename connotaties. Pas in het Nieuwnederlands, en dan met name het NN is huilen een neutraal woord geworden, is schreien verouderd en behoort wenen tot een deftiger taalregister. In het BN is huilen ongewoon en zijn, afhankelijk van de regio, wenen en schreien gewone woorden gebleven.
huilebalk zn. ‘iemand die veel huilt’. Vnnl. huyle balck ‘huilerig kind’ [1612; WNT]. Daarnaast ook het werkwoord huylebalcken [1627; WNT]. Gevormd met elkaar versterkende betekenis uit huilen en → balken in de betekenis ‘krijsen, huilen’. In de 19e eeuw was een huilebalk ook ‘iemand die ingehuurd werd om bij een lijk te schreien’. Ook zijn hoed kreeg die naam. Dat was een hoed met een heel brede rand die het gezicht van de drager kon verbergen. Lijkwagenkoetsiers hebben nog lang huilebalken gedragen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

huilen* [schreien, janken] {(h)ulen, huylen 1287} middelnederduits hulen [huilen, schreeuwen], oudhoogduits hiulon, hiwilon [jubelen]; vgl. oudsaksisch huo, oudhoogduits huwo, h(i)uwila [uil]; buiten het germ. oudindisch kauti [hij schreeuwt], grieks kōkuein [huilen], litouws kaukti [huilen], kerkslavisch kujati [hij kreunt, steunt]; klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

huilen ww., mnl. hûlen, ûlen, huylen ‘huilen, luid schreien’, mnd. hūlen ‘huilen, schreeuwen’, ohd. hiulon, hiwilon ‘jubelen’ (nhd. heulen), ne. howl, nde. hyle. — Daarmee zijn verwant os. hūo, ohd. hūwo m. hūwila, hiuwila v. ‘uil’. — Een idg. woord voor het geschreeuw van een vogel, vgl. oi. kauti ‘schreeuwen’, kokila ‘koekoek’, gr. kō-kú-ō ‘weeklagen’, kaúāks, hom. kḗks, kē̃üks ‘meeuwensoort’, gall. cavannus ‘nachtuil’, lit. kaukiù, kaũkti ‘huilen (van honden of wolven)’, kaukalė ‘watervogel’, lit. kovas ‘kauw’, russ. kávka ‘kikvors, (dial.) kauw’ (IEW 535-6).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

huilen ww., mnl. hûlen. = ohd. hiulôn, hiwilôn “jubelen” (nhd. heulen “huilen”), mnd. hûlen “huilen, schreeuwen”, eng. to howl, de. hyle “id.”. Hierbij ohd. hûwo m., hûwila, hiuwila v., os. húo m. “uil”. Van een der beide idg. bases k̑u-, qu-, die wsch. beide onomatopoëtisch zijn. Van ḱu- komen ook russ. sowá “uil”, lit. szaukiù, szaũkti “schreeuwen, luid roepen, noemen”, van qu- ksl. kujati “morren”, lit. kaukiù, kaũkti “huilen”, oi. káuti “hij schreeuwt”. Kymr. cuan “uil”, obret. couann “nachtuil” (> fr. chouan) kan ook van beide bases komen, evenzoo, als ’t hierbij hoort, gr. kōkúō “ik weeklaag”. Voor een idg. anlautvariant van deze wortels, met media aspirata, zie bij goochelen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

huilen ono.w., Mnl. hulen + Ohd. hiulôn (Mhd. hûlen, Nhd. heulen), Meng. houlen (Eng. to howl) + Ofra. huller (thans hurler), Lat. ululare; vergel. ook Mnl. huwen + Fr. huer (Eng. hue = schreeuw): alle zijn onomat. (z. voorts uil).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Huil ww. Segsw.: Snot en trane huil, baie erg huil. – Boekenoogen 1319: “Hij huilt snot en kwijl, hij weent erg;” Ter Laan 484 :id; Joos 607: “snot en slinger schreeën, hard schreien.” Vgl. nog Harreb. I, 313; Bredero, Claes Claèt 14: “ick huylden as ien Hof-honckt, snot in quijl” (Uig. v. Rijnbach, bl. 89); Joan van Paffenrode, De Bedroge Gierigheyd ofte boertige Comedie van Hopman Ulrik (4de bedryf): “De boeren die huylden als hof-honden, je se kreten snot en quijl.” Joos, Schatten 45: Snot en slinger weenen: 63: snot en kwijl schreien.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

huilen ‘schreien, janken’ -> Negerhollands hyelen, hyel ‘schreien, janken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

huilen* schreien, janken 1287 [CG NatBl]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

982. Huilen met de wolven (of de honden), waarmede men in het bosch is,

d.w.z. met verloochening van eigen meening zich (moeten) schikken naar de personen, in wier gezelschap men zich bevindt; vgl. lat. cum insanientibus furere; mlat. si comes esse lupi vis, voce sibi simileris; gri. μαινομενοις συμμανηναι; mnl. die mitten wolven ommeghaet die moet mitten wolven hulen (o.a. Diepenv.2 314); Goedthals, 57: Die met wulven ommegaet, moeter na hulen, qui est avec les loups, il faut hurler; Campen, 101: Men moet mit den wolven huylen, daermen mede omme gaet; zoo ook Prov. Comm. 210: Die met wolven omgaet, moeter na huylen; Spieghel, 285; Gew. Weeuw. 3, 60; Halma, 230: Met de wolven huilen daar men mee in 't bosch is, zich naar 't gezelschap voegen daar men bij is; Nkr. III, 25 Juli p. 2: Maar wie in het bosch is, moet met de wolven meehuilen; Antw. Idiot. 2164; enz. Vgl. ook het fr. il faut hurler avec les loups; braire avec les ânes; in het nd. wä bei de Hongen es, muss der met hüle (Eckart, 224); in het fri.: me moat bylje mei de hounen dêr 't me mei yn 't bosk is. Zie ook Suringar, Erasmus 38-40; Bebel no. 275; Ons Volksleven VIII, 228; Harrebomée I, 82; Wander V, 364: mit den Wölfen musz man heulenDr. D.G. Hesseling (Gids, 1902) meent, dat ook dit spreekwoord zijn ontstaan kan te danken hebben aan 't een of andere verhaal van iemand, die door zulk een list veilig door een bosch was gekomen. Ook de Russen zeggen: Met de wolven leven, is op zijn wolfsch huilen..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut