Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

huif - (kap op een kar of boot)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

huif zn. ‘kap op een kar of boot’
Mnl. huve ‘hoofddeksel, kapje, muts’ [huue 1240; Bern.], ook algemener ‘kap’, bijv. van een gebouw [1340-60; MNW-R], van een voorwerp [1432-68; MNW], van een kar, zoals in vnnl. huyve van den waghen [1599; Kil.].
Os. hūƀa (mnd. hūve); ohd. hūba (nhd. Haube ‘vrouwenhoofddeksel’); ofri. hūve; oe. hūfe (ne. vero. hoove, Schots how ‘nachtmuts’); on. húfa (nzw. huva); < pgm. *hūbōn- (v.). Daarnaast on. húfr ‘scheepsruim’ (nzw. huv ‘deksel, overkapping’) < pgm. *hūba- (m.). Het Germaanse woord is ontleend in het Oudfrans als huve ‘soort hoofddeksel’ en met verkleiningsachtervoegsel in het Middelfrans als aubette ‘hut’, waaruit Belgisch-Frans ‘krantenkiosk; wachthuisje’.
Geen duidelijke verwantschappen buiten het Germaans. Uit pgm. *hūbōn- kan men de wortel pie. *kūbh- reconstrueren, met een zeer ongebruikelijke combinatie van stemloze en geaspireerde medeklinker. Hierbij worden Grieks kūphós ‘krom, gebogen’ en Sanskrit kakúbh- ‘spits, top’ genoemd, en er kan secundaire samenhang zijn met pgm. *hubil- ‘heuvel, bult’ (zie → heuvel). Een huif is in alle Germaanse betekenissen een kap, een overkapping, een bovenste constructie, met een gebogen vorm. Gezien de problematische wortel moet misschien eerder worden uitgegaan van een constructie zoals bij → huis en ook bij → huid wordt genoemd, d.w.z. afleiding van de nultrap van de wortel pie. *(s)keuH- ‘bedekken, omhullen’.
Op grond van de formele problemen sluiten Cowan (1974) en Beekes (1996) herkomst uit een voor-Indo-Europese substraattaal niet uit. Zie ook → heup, → kuif en vooral → kop 1.
Specifieke afgeleide betekenissen van huif die nog steeds in gebruik zijn, zijn ‘hoofdkap voor vrouwen (bij sommige klederdrachten)’ en ‘kap voor afgerichte roofvogels’.
Lit.: Cowan 1974, par. 31; Beekes 1996, par. 5

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

huif* [kap] {huve, huyve 1201-1250} oudsaksisch huƀa, oudhoogduits huba (hoogduits Haube), oudengels hufe, oudnoors húfa; buiten het germ. latijn cupa [kuip, vat], grieks kupellon [vat], litouws kaupas [hoop], oudindisch kūpa- [kuil, hol] → heuvel, hoop1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

huif znw. v., mnl. hûve ‘hoofddeksel; bekleedsel van een voorwerp, bijenkorf e.a.’ ofri. hūve, os. hūƀa, ohd. hūba (nhd. haube), oe. hūfe, on. hūfa ‘muts’. — gr. kuphós ‘gekromd’, russ. kubok ‘beker’, oi. kakubh- ‘bergtop’. — Zie verder: heuvel en hok 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

huif znw., mnl. hûve v., naam van verschillende hoofddeksels en andere boogvormige bedeksels. = ohd. hûba (nhd. haube), os. hûƀa, ags. hûfe, on. hûfa v. “muts”, germ. *χûƀôn-. Van de basis qū̆p-, die bij heuvel is besproken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

huif. Adde: ofri. hûve v. ‘muts’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

huif 1 v. (kap), Mnl. huve, Os. hûƀa + Ohd. hûƀa (Mhd. hûbe, Nhd. haube), Ags. húfe, On. húfa (Zw. hufva, De. hue); daarnevens On. húfr = boeg, Ags. hýf (Eng. hive) = bijenkorf + Gr.kúpē, Lat. cupa = vat, Oier. cuan = hoop, en verder hoop 1.

huif 1 v. (kap), Mnl. huve, Os. hûƀa + Ohd. hûƀa (Mhd. hûbe, Nhd. haube), Ags. húfe, On. húfa (Zw. hufva, De. hue); daarnevens On. húfr = boeg, Ags. hýf (Eng. hive) = bijenkorf + Gr.kúpē, Lat. cupa = vat, Oier. cuan = hoop, en verder hoop 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

huif (zn.) knikker; < Aokens Hüf.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

huif* kap 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1485. Het masker (of de mom) afwerpen,

d.w.z. zich plotseling van zijne vermomming ontdoen; ophouden met veinzen, zijne ware gezindheid of zijne ware bedoelingen laten blijken (Ndl. Wdb. I, 1859; IX, 281); iemand het masker afrukken, aflichten, aftrekken (17de eeuw), zijne veinzerij ten toon stellen, aan de kaak stellen, hem ontmaskeren; lat. personam capiti detrahere alicujus (Otto, 274); ook iemand de grijns afrukken, aflichten (Sewel, 302); de huif (hoofddeksel, kap) aflichten; zie Ndl. Wdb. V, 727; Mnl. Wdb. III, 773 en De Cock1, 154. Vgl. fr. jeter, déposer le masque; ôter, arracher le masque à qqn; démasquer qqn; hd. einem die Maske, die Larve abreiszen, abziehen; eng. to unmask a.p.; to throw off the mask.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut