Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

huid - (bedekking, vel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

huid zn. ‘bedekking, vel’
Onl. hūd ‘huid’ [ca. 1100; Will.]; mnl. huut ‘huid’, bijv. in die sinen nasten wondet in gehelre hud so dat hi bluod sturtet ‘die zijn naasten verwondt door de huid heen zodat hij bloedt’ [1236; CG I, 29], hut [1240; Bern.], ook huit [1300-50; MNW-R].
Os. hūd (mnd. hūt); ohd. hūt (mhd. hūt, nhd. Haut); ofri. hēd (nfri. hūd); oe. hȳd (ne. hide ‘dierenhuid’ naast skin ‘mensenhuid’); on. húð (nzw. hud); < pgm. *hūdi-.
Verwant met: Latijn cutis ‘huid’; Grieks kútos ‘omhulsel, huid’, skũtos ‘huid, leer’; Litouws kiautas ‘omhulsel, schaal’, kutỹs ‘buidel’, Oudpruisisch keuto ‘huid’; Welsh cwd ‘tas’; Tochaars A kāc (< *kwāc) ‘huid’; < pie. *(s)kuH-t- (IEW 953), een t-uitbreiding van de nultrap van pie. *(s)keu(H)- ‘bedekken, omhullen’ (IEW 951), zoals in → schuilen en → schuur. Met s- in plaats van t-uitbreiding is → huis verwant.
Huid en → vel waren altijd min of meer synoniem en zijn dat nog steeds. Toch lijkt het gebruik van beide woorden aan verandering onderhevig te zijn geweest. Zo schrijft het MNW in 1894: “Meermalen gebruikt men in het mnl. huut, waar wij vel moeten gebruiken, omdat huid, van menschen gezegd, tot de platte taal is gaan behooren.” En nog in 1954 schrijft het WNT over vel: “in de alg. taal, in vrij gebruik, een gemoedelijker, huiselijker woord dan huid, dat in de laatste vijftig jaar, ten gevolge van huidverzorging en geneeskunde (invloed van hd. haut) meer en meer het deftige woord is geworden.” In het moderne taalgebruik lijkt dit laatste onderscheid nog steeds te bestaan, maar is het wel kleiner geworden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

huid* [vel] {huut 1201-1250} oudsaksisch hūd, oudhoogduits hūt, oudengels hȳd (engels hide), oudnoors hūð; buiten het germ. latijn cutis [huid], oudpruisisch keuto [huid], litouws kiautas [omhulsel]; verwant met oudfries hothan, oudhoogduits hodo (hoogduits Hode) [scrotum], grieks kutos [ronding, welving], welsh cwd [zak, scrotum] → hoetelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

huid znw. v., mnl. huut, os. hūd, ohd. hūt (nhd. haut), ofri. hēd, oe. hȳd (ne. hide), on. hūð. — Daarvan afgeleid mnl. hūden ‘wegbergen, begraven’, mnd. hūden ‘wegbergen, zorgen voor’, ofri. hūda ‘behoeden’, oe. hȳdan (ne. hide) ‘verbergen’. — lat. cutis ‘huid’, gr. kútos ‘omhulsel, huid’, skútos ‘huid, leer’ lit. kiáutas ‘omhulsel, schaal’, kutỹs ‘buidel’, opr. keuto ‘huid’ (vgl. Siebs KZ 37, 1901, 282).

De idg. wt. is *(s)keut, die naast *(s)keudh staat, vgl. on. skauð ‘schede; voorhuid van een paard’, skjōða ‘buidel, zak’, mnd. schōde n. ‘vagina (van paard), v. ‘schil, peul’, mhd. schōte ‘schil’ (IEW 952). — Zie: huis, schuilen en schuur.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] huid. Met nasaleering hierbij opr. kūnti “hij verzorgt”, obg. sŭ-kątati “tot rust brengen” (in meerdere slav. talen “hullen, verbergen”)?

huid znw., mnl. huut (d) v. (m. o.). = ohd. hût (nhd. haut), os. hûd, ofri. hêd (en hêde), ags. hŷd (eng. hide), on. hûð v. “huid”, idg. *qûtí-, waarnaast *qŭti-, lat. cŭtis “huid” [vgl. *sunu- (zoon) : *sûnu-]. Verder zijn gr. kútos “omhulsel, huid”, lit. kiaũtas “omhulsel”, opr. keuto “huid” en met sq- gr. skũtos; “huid, leer” verwant. Uit ’t Germ. nog hierbij ags. hoðma m. “schuilplaats”, mnl. hûden “wegbergen, begraven”, mnd. hûden “wegbergen, zorgen voor”, ofri. hûda “behoeden”, ags. hŷdan (eng. to hide) “verbergen”, mhd. schôte (nhd. schote) v. “schil, peul”, on. skauð v. “vagina”, die echter ook evenals gr. keúthō “ik verberg”, kymr. cudd “verberging, het verborgene”, oi. kúhaka- “goochelaar, schelm” (dat echter ook andere verklaringen toelaat) idg. dh kunnen hebben. Idg. (s)qū̆-t- en (s)qū̆-dh- zijn verlengingen van (s)qū̆-, waarvan direct oi. skauti, skunā́ti, skunóti “hij bedekt”, chavī̆- “huid”, arm. c̣u “dak, bedekking”, misschien ook lett. skauju, skaut “omarmen” gevormd zijn, terwijl ook in een deel van de bovengenoemde t-afll. de t bij het nominaalsuffix kan hooren, evenals in lat. scûtum “schild” (als dit tenminste verwant is). Voor andere verlengingen van (s)qū̆- zie schuilen, schuim, schuur, huis. Idg. (s)q(h)ū̆-d- wordt voor lat. cûdo “leeren helm”, av. xaoδa- “helm”, pâmirdial. skîð “hooge muts van schapenvel” aangenomen. Zie hut.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

huid. In pl.v. lit. kiaũtas lees: kiáutas. Ook ofri. hêda ‘verbergen’ (= ags. hŷdan). — Bij mhd. schôte (= mnd. schôde v. ‘peul, schil’), on. skauð (ablautend skjôða v. ‘foedraal, zak’) wsch. ook got. skauda-raip o. ‘schoenriem’ en gron. schoet, mv. schoeden ‘schort’ (met û? W.de Vries Tschr. 34, 22). Arm. çu, lees: çiw (Meillet MSL. 18, 377).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

huid v., Mnl. huut, Os. hûd + Ohd. hût (Mhd. id., Nhd. haut), Ags. hýd (Eng. hide), Ofri. héde, On. húđr (Zw. en De. hud); ook een ww. Mnl. huden, Ags. húdan (Eng. to hide), Ofri. húda = wegbergen + Gr. kútos, Lat. cutis, Lit. kiaũtas, Opr. keuto = huid: Idg. wrt. keṷ = bergen, met bijvorm skeṷ: Gr. skûtos = leder, Lat. scutum = schild, ob-scurus = duister (z. hol 1).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Huid, waarschijnlijk van denzelfden Germ. wt. als hut en hoed(e), n.1. hud = verbergen, omhullen, beschermen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

huid* vel 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

977. Met huid en haar,

d.w.z. geheel en al; syn. met hom en kuit. In het Mnl. bij Despars 3, 226: Dat zy mencanderen upaten met hude ende met hare (vgl. Sp. I7, 93, 20: Met velle met hare); Matthyssen, 41, 33: Mit hude ende hare ter verdomenisse varen; Mar. v. Nijm. 984: Ic salse met huyt met haer nemen; Marnix, Byenc. 49 v; 51 r; Hooft, Ged. I, 156: Met huit met hayr; Tuinman II, 136; Harrebomée I, 269 a; Mnl. Wdb. III, 772; Ndl. Wdb. V, 1413; Eckart, 193; met hair en huid (Schoolm. 254). In het Westvl. ook: met tuit en vlerke, met kop en haar, met hoot en poot; Land v. Waas: met pellen en vellen; fri. mei hûd en hier of mei ham en gram (vgl. Waasch Idiot. 228: met ham en gam); hd. mit Haut und Haar(en); schotsch: hilt-an-hair.

978. Iemand op zijn huid geven,

d.w.z. iemand een pak slaag geven; hem den mantel uitvegen; mnl. enen op sine vacht smiten; 17de eeuw: iemand op de huid smijten; Winschooten, 2 en Halma, 229: iemand op de huid komen, iemand afrossen. Syn. iemand op zijn tabernakel komen; op de ribben komen, slaan; op zijn pens (Gallée, 33 a); op zijn poffel geven (Boekenoogen, 772); over zijn schalen geven (Boekenoogen, 1354), waarnaast op zijn schaliën krijgen (Onze Volkstaal I, 240); op zijn salaat geven (Harrebomée II, 235 b); op zijn mieter, kop, falie, dak, nek krijgen; op zijn kolder krijgen (Sewel, 405); op zijn pook krijgen (V. Dale); op rös, hoed, pokkel, vel, nek, pens geven (Molema, 238 a; 331 b; 278 b); op zijn muts, op zijn lenden krijgen; iemand op de litsen, op de lappen, op zijn livrei, op zijn leverantsie geven (Molema 539 b); op zijn wammes krijgen, iemand wammesen, wammes krijgen (V.d. Water, 149); iemand op zijn gezicht geven; iemand wat op zijn liere, zijn vel, zijn balg geven (De Bo, 631); iemand op ze' cadaver (Antw. Idiot. 319), op zijn doel, zijn cibern(e) (Kl. Brab.) geven. In de 17de eeuw: iemand op zijn vleesch boenen (Paff. bl. 13, vs. 19); iemand op zijn ley geven (Gew. Weeuw. III, 30). Zie nog Ndl. Wdb. VI, 1212; Volkskunde XII, 101; De Cock1, 145; 157; en vgl. het hd. einem aufs Leder kommen, bij ons iemand op het leer zitten; Tuerlinckx, 360: over zijn leer krijgen; fri. immen op 't lear of 'e hûd, 'e bealg komme; Goeree en Overflakkee: iemand den bast krauwe, de rik (rug) schure (zie N. Taalg. XI, 307).

979. Men moet de huid van den beer niet verkoopen, voordat hij gevangen is.

Men moet niet beschikken over een voordeel of eene winst, die nog moet worden behaald; een spreekwoord blijkbaar aan een verhaal ontleend.Zie de Mémoires de Commines LIII, ch. 3; Lafontaine, V, 20. In de 16de eeuw vinden we in een stuk uit het jaar 1561: ‘Waerop Myn Heere de Cardinael (Granvelle) ten antwoorde heeft gegeven, niet gewoonlyk te zijn 't vel van den beer te deylen eer den selven gevangen zy’ (Vad. Mus. III, 37); Despars IV, 99: Voorwaer ten is gheen wijsheit yemende tvel van den beer te vercoopene eer hy ghevanghen is. Voor later tijd zie De Brune, 178:

Hy heeft vercocht het beeren huyd,
Eer hy gheworden was te buyt.

V. Lummel, 328:

Sy haecten met verlangen elck na de schoonste buyt,
Eer den beer was gevangen, verdeelde men sijn huyt.

Bank. I, 492: 't Is zotheyd, de huyd te veylen, eer de beest' in 't net is; Tuinman I, 39: Verkoopt de beerenhuid niet, voor dat gy den beer gevangen hebt; Harrebomée I, 41 a; Ndl. Wdb. II, 1321; VI, 1213; Wander II, 440; Borchardt no. 117; Bresemann, 226; fr. il ne faut pas vendre la peau de l'ours avant qu'il soit pris; hd. man musz die Bärenhaut nicht verkaufen, bevor man den Bären hat oder ehe denn der Bär gestochen ist; eng. don 't sell the bears' skin, before you have caught the bear.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut