Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hufter - (botterik, schoft)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hufter zn. (NN) ‘botterik, schoft’
Nnl. eerst alleen Noord-Hollands hufter ‘koukleum’ [1871], ‘bangerik, zwakkeling’ [1897]; dan niet meer gewestelijk hufter ‘sukkel, sufferd’ in niks dan ongeleerde hufters daar, bah! [1927; WNT soep], een aartsezel ... de grootste hufter, die ooit ... [1928; WNT Aanv.], ‘botterik, onbeschaafd persoon’ in een hufter is een griezelig en verachtelijk mensch [1931; WNT Aanv.], hufters ..., domme boerenmensen zogezegd [1940; WNT Aanv.].
Afleiding van hufteren ‘rillen van de kou’ [1897], Noord-Hollandse variant van → huiveren; naast Noord-Hollands hufter ‘koukleum’ bestaat ook de afleiding hufterig ‘rillerig van de kou’ [1871]. De betekenisontwikkeling loopt van ‘iemand die rilt, een zwakkeling’ via ‘sukkel’ naar ‘slecht mens’, ‘onbehouwen persoon’ en ‘dikdoener’. Het is goed mogelijk dat het woord algemeen is geworden via gebruik in het Bargoens en in soldatentaal (WNT Aanv.).
Er bestaan een aantal alternatieve etymologieën. Afleiding van Bargoens hucht ‘paal, galg’ [1689] (EDale) is gebaseerd op zeer weinig vindplaatsen en chronologisch onwaarschijnlijk; een betekenis ‘iemand die moet hangen’ is vergezocht en ook alleen van toepassing op de jongere betekenissen. Tegen verbastering huveter > hufter van het als scheldwoord gebruikte woord huidevetter, hudevetter ‘leerlooier’ (Pijnenburg 1981) pleit dat hudevetter een Zuidnederlands woord is en ook dat de vorm hufter in de oorspr. betekenis niet voorkomt. Dat hufter verband zou houden met Kempisch heft ‘ongemanierde, plompe kerel’ is om geografische redenen evenmin wrsch. Er wordt ook wel gedacht aan afleiding van *huft, naast hucht ‘wildernis’; een hufter zou dan een boerenkinkel, een onbeschaafd persoon zijn; dit woord hucht/hocht is echter alleen Brabants en de variant huft komt niet voor.
Lit.: WNT Aanv. hufter; W. Pijnenburg (1981), ‘De etymologie van hufter’, in: TNTL 97, 297-98

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hufter* [barg.: schoft] {1926-1950} is een afleiding van een woord huft, dat moet hebben bestaan naast hucht (verg. ‘graft’ naast ‘gracht’). Het woord hucht betekende naast ‘struikgewas’ ook ‘paal’ en vandaar ‘galg’. In 1731 is genoteerd het barg. huchten [hangen]. De grondbetekenis van hufter zal dus geweest zijn: iem. die aan de galg hoort.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

hufter: oorspronkelijk een scheldwoord voor een bangerik of zwakkeling, later meer algemeen voor een lomp, onbeschaafd persoon, een slecht mens. Volgens het WNT werd het woord vanaf 1871 opgetekend. Het zou afgeleid zijn van huft (struikgewas; paal; galg). De eigenlijke betekenis is dus ‘iemand die aan de galg hoort’. Volgens anderen zou het om een typisch Zaans woord gaan. Ook in Noord-Holland was het aanvankelijk goed bekend. Het zou dan horen bij het gewestelijk werkwoord hufteren (huiveren). Hufter zou hier dan een afleiding van zijn. Oorspronkelijk was het van toepassing op een koukleum en vandaar ook figuurlijk voor iemand die huiverig is iets te doen, een durfniet, een angsthaas*. Het is begrijpelijk dat men ook een stakker of een sukkel een hufter is gaan noemen. In het zuiden van West-Friesland had het woord een andere betekenis, nl. ‘fysiek minderwaardig mens; iemand die er schraal en bleek uitziet’. Noordelijker is men de benaming gaan toepassen op een moreel minderwaardig persoon en kreeg hufter de betekenis van ‘gemene vent, schoelje’.

Er bestaan tegenwoordig verschillende samenstellingen, waaronder hufter-tv.

Medio 2003 lanceerde De Telegraaf het woord scooterhufter voor een wegpiraat. Bij de marine bestaat ook een werkwoord hufteren (dwarsliggen). Het komt vaak voor in ontkennende vorm: lig niet te hufteren! gezegd wanneer iemand zich vervelend gedraagt. De Beverwijkse woningcorporatie ‘Woon op Maat’ bedacht de hufterwoning: een onderkomen voor mensen die zich wel kunnen maar niet willen aanpassen: het geheel ziet eruit als een normale woning maar het heeft het casco van een betonnen bunker. Zo kan er door de bewoner weinig worden gesloopt. Dergelijke huizen zouden dan naast elkaar komen te staan in een afgelegen deel van een woonwijk aan de rand van de stad. In de jaren vijftig werd ook de uitdrukking Je kan wel zien dat jij uit Huftershoek komt! opgetekend.

Hufterig. Huiverig, rillig, rozig, koud. Ik ben zoo hufterig, zoo grillig. Hufter. Slordig mensch. (De Navorscher, 1871)
En ’t was om dit felle doen, dat de Jonkers en Notarissen uit de vergadering ontzag kregen voor dien hufter uit het achterland. (De Groene Amsterdammer, 23/05/1925)
‘Soldaten,’ hoonde een ander, ‘die bennen d’r om voor ’et spek van de boeren tegen de vijand te vechten, maar niet om ’et zelf op te vreten, wat jij, hufter?’ (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hufter* Bargoens scheldwoord: schoft 1927 [WNT soep]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal