Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

houtvester - (bosopzichter)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

houtvester [bosopzichter] {houtvestere 1314} van hout + middelnederlands vorster, vurster, vo(i)ster < middeleeuws latijn forestarius [bosopzichter], van (silva) forestis [koninklijk bos], silva [bos], forestis, van foris [buiten het gecultiveerde gebied] (vgl. vorst4, foreest).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

houtvester znw. m., mnl. houtvester (ook houtvoetster, houtvoester), houtvorster (zo bij Kiliaen). Het 2de lid < mnd. vorster(e), laat-ohd. forstari (nhd. förster) < mlat. forestarius afl. van forestis, forestus ‘voor de vorst gereserveerd bos’ (> fra. forêt, os. nhd. forst ‘banwoud, bos’). Lat. forestis is afgeleid van foris ‘buiten’ en duidt dus het bos aan, dat buiten het voor houthakken en veeweiden vrijgelaten bos gelegen was en dus voor een heer o.a. als jachtgebied gereserveerd was.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

houtvester znw., mnl. houtvester, waarnaast houtvoe(t)ster m. Beide vervormd uit houtvorster, dat bij Kil. vermeld staat. Vgl. mnd. holtvorste(r) m. “houtvester”. Het tweede lid = laat-ohd. forstari (nhd. förster), mnd. vorster(e) m. “houtvester”; dit ontstond uit mlat. forestârius “id.”, een afl. van forestis, -us, -a, -um “voor den vorst gereserveerd bosch”, waaruit fr. forêt, ohd. (nhd.) os. forst m. “bosch”, bij ons nog in Voorst en daarmee samengestelde eigennamen. Mlat. forestis enz. is een afl. van lat. forîs “buiten”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

houtvester. Laat-ohd. forstâri = mnl. vorster(e) m. ‘houtvester, opzichter, gerechtsbode’. Ohd. os. forst = mnl. vorst m. ‘bos’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

houtvester m., het 2e lid is vorster (z.d.w.).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

houtvester bosopzichter 1314 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut