Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

houtsnip - (soort vogel)

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Houtsnip Scolopax rusticola Linnaeus 1758. Doorgaans in het bos (= hout) verblijvende soort van Snip. De soort broedt in de Lage Landen en trekt er door, maar heeft een tamelijk verborgen levenswijze. Desondanks is het een al lang bij de mensen bekende vogel, helaas vooral door de jacht. Deze soort was in het spel bij verordeningen aangaande de vangst in bossen met behulp van netten, zoals te vinden in het Placaet Generael van 26 december 1517 [Brouwer 1954 p.6]. De naam van de vogel wordt daarin niet genoemd, maar wel is sprake van een ww. snippen ‘(Hout)Snippen vangen’ en van Sniphanghen ‘uitgekapte banen in het bos waar de flouwen (= Snippennetten) geplaatst werden’. De VK (c.1618) noemt Hout-sneppe, met toevoeging “... rustica. sax. holtschnippe.”
Houttuyn 1763 Houtsnep: “Te vooren hadt LINNAEUS deezen onder de Wulpen betrokken. Hy heet by de Schryvers, in ’t algemeen, Scolopax en wordt van sommigen ook Rusticola of Perdix Rustica, dat is Boeren-Patrys, getyteld. ’t Is die Vogel, welken de Franschen, in ’t algemeen, Becasse, de Engelschen Snipe, de Duitschers Schnepff en wy Nederlanders Snep, of, tot onderscheiding van den Poelsnep, Hout Snep heeten.” Schlegel 1852 geeft “DE HOUTSNIP”.
Het benoemingsmotief in het D loopt min of meer parallel aan dat in het N. De VK noemt ook in het D (saksisch) het element holt al (zie boven), welk preciserend element kennelijk ook wel weer werd weggelaten (vgl. sub Houttuyn). Schlegel 1844 noemt D Gemeine Waldschnepfe (>D Waldschnepfe).
Houtsnip is ook de officiële friese naam [De Vries 1911; deze had als tweede naam Wâldsnip; Boersma 1972]. Eerder al bij Knoop 1763: “Houtsnippen” (mv.) [ViF p.664].
Veel buitenlandse namen hebben een element met de betekenis ‘bos’, zoals R Ва́льдшнеп Wál’dsjnep (Woodcock, F Bécasse des bois, tsjechisch Sluka lesní.

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

HOUTSNIPScolopax rusticola
Duits Waldschnepfe
Engels Woodcock
Frans Bécasse des bois
Fries Houtsnip
Betekenis wetenschappelijke naam: landbewoner met paalvormige snavel. De Houtsnip is een echte bosbewoner die zich overdag doorgaans schuilhoudt in de onderbegroeiing. Hierbij heeft hij veel profijt van zijn schutkleur als van afgevallen blad. Verschillende streeknamen wijzen op zijn biotoop zoals Holtsnip (Gr), Bossnippe (ZVl), Bossnep (Lb, NB), Wâldsnip (Fr) en Woudsnep (Gd). De soort wordt ook wel met Grote Snip of Grote Snep aangeduid. Eerst tegen zonsondergang wordt de vogel actief. Mede hierdoor en in verband met de wat uilachtige vleugelslag en de ronde kop met de achteruitstaande ogen kreeg hij de namen U(i)lekop. Het Vlaamse Bekkaas, gevormd uit het Franse bécasse, wijst op de opvallend grote snavel. Vanwege die snavel en de typische stand van de ogen werd de Houtsnip vroeger door jagers de ‘dame (juffer) met het lange gezicht’ en de ‘vogel met de Belladonna-ogen’ genoemd. De volksnaam Fluweeloog past uitstekend in deze reeks benamingen. De namen Koningssnip en Bloksnip zijn eveneens afkomstig uit de jagerij en hangen samen met het relatief zware gewicht en de gedrongen lichaamsvorm van de soort. Bij de snippenjacht onderscheidt men de Houtsnip als Bruinpoot van de met blauwpoten aangeduide Water- en Poelsnippen. De naam Wildsnip is vermoedelijk van poeliers afkomstig.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut