Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hout - (materiaal, tak, boom, bos)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hout zn. ‘materiaal, tak, boom, bos’
Onl. eerst in plaatsnamen: Turholt ‘Torhout (West-Vl.)’ [683; De Flou], Mareolt ‘Meerhout (Limburg B)’ [741, kopie begin 11e eeuw; Gysseling 1960], dan holto (genitief mv.) ‘van bomen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. holt ‘hout’, drogeholt ‘brandhout’ [1240; Bern.], hout ‘stok; boom; bos’ [1285; CG II, Rijmb.].
Bij een Indo-Europese wortel die ‘steken, hakken’ betekent. Voor de overgang holt > hout zie → koud.
Os. holt (mnd. holt); ohd. holz ‘boom, hout, klein bos’ (nhd. Holz); ofri. holt (nfri. hout); oe. holt ‘bos’ (ne. vero. en dial. holt); on. holt ‘klein bos’ (nzw. dial. hult); < pgm. *hulta-.
Verwant met Grieks kládos ‘tak, twijg’; Oudkerkslavisch klada ‘houtblok’ (Russisch kolóda ‘houtblok, boomstam’; Tsjechisch kláda); ablautend Latijn clādēs ‘vernietiging, onheil, nederlaag, verwonding’; Proto-Keltisch *klad- ‘graven’ (Oudiers caill ‘bos’; Welsh celli ‘bos’; Cornisch kelli ‘bosje’, en zie → gladiator); bij pie. *klH-d- (IEW 546), een uitbreiding bij de wortel *kelH- ‘steken, hakken’. Misschien zijn ook de Keltische (< *kaldī) vormen verwant, maar volgens Bjorvand/Lindeman gaan deze terug op een Keltische wortel *kal-n-.
Al in de vroegste Middelnederlandse vindplaatsen (13e eeuw) heeft hout niet alleen de huidige collectieve betekenis als materiaalnaam, maar ook de telbare en nu minder gangbare betekenissen ‘tak, stok, houten balk’ (nu nog wel: een houtje), ‘boom’ en ‘bos’. Daarvan zijn de twee laatstgenoemde wrsch. oorspronkelijk. In toponiemen kwamen ze in Holland vooral voor ter aanduiding van bossen op de geestgronden, ter onderscheid van de nattere wouden (zie → woud). Ook het toponiem Holland (onl. Hollant [1101; Künzel]) < *holt-lant bevat dit element.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hout* [hard gedeelte van bomen] {in de vroegere in Belgisch Limburg gelegen plaatsnaam Mareolt <741>, oudnederlands holt 901-1000, middelnederlands hout, haut, holt} oudsaksisch, oudfries, oudengels, oudnoors holt, oudhoogduits holz [bos, boom, hout]; buiten het germ. grieks klados [tak, twijg], oudiers caill [bos], oudkerkslavisch klada (russisch koloda) [balk]. De uitdrukking op zijn eigen houtje [voor eigen verantwoording] schijnt (17e-eeuws) te betekenen ‘op eigen schip’. Op eigen houtje, d.w.z. als schipper-eigenaar, is men dus verantwoordelijk voor alle risico's. De uitdrukking als men dit doet aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden? [heeft de vrome veel te lijden, hoe zal het de goddeloze vergaan?] is ontleend aan Lucas 23:31.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hout znw. o., mnl. hout ‘hout, boom, bos’, onfrank. holt, os. holt ‘hout’, ohd. holz ‘hout, bos’, ofri. holt ‘hout, houtstuk’, oe. holt ‘hout, bos’, on. holt ‘hoog gelegen beboste steengrond’. — gr. kládos ‘tak’, miers caill ‘bos’, osl. klada ‘balk, blok’, van de idg. wt. *kel ‘houwen, slaan’ (IEW 545-7), eig. een groep termen voor het schaarbos (vgl. J. Trier, Holz 1952, blz. 43-51). — Zie ook: hilt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hout znw. o., mnl. hout o. “hout, stuk hout, boom, bosch”. = onfr. holt “lignum”, ohd. (nhd.) holz o. “hout, stuk hout, bosch”, os. holt o. “hout”, ofri. holt o. “hout, stuk hout”, ags. holt m. o. “bosch, hout” (eng. holt), on. holt o. “dorre steengrond, hoog gelegen, met boomen”. Verwant met ier. caill “bosch”, lat. callis “bergpad, boschweg” (ook anders verklaard), gr. kládos “tak”, ksl. klada “balk, blok”. De idg. bet. was reeds “hout”, misschien ook “boom, bosch”. Verdere combinaties zijn onzeker, ook die met oi. kâṣṭhá- “stuk hout, houtmijt”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] hout. Lees: obg. klada.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hout. Ier caill ‘bonk’, lat. callis ‘bergpad, bosweg’ gelden veelal voor onderling verwant, maar niet behorend bij de overige hier vermelde woorden. — Ksl. klada, lees: obg. klada (v.Wijk Aanv.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hout o., Mnl. id., Onfra. en Os. holt + Ohd. holz (Mhd. en Nhd. id.), Ags. holt (Eng. id.), Ofri. id., On. id. (Zw. hult, De. holt) + Gr. kládos = twijg, Lat. callis = boschpad, Ier. caill (d.i. *cald-) = woud (misschien ook Caledonië), Osl. klada = balk (z. loot).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

-hout (de; als tweede lid van een samengesteld zn.): a. Als de naam van een boomsoort eindigt op hout, kan die naam ontleend zijn aan het hout van die boom. Het hout is dan genoemd naar een van zijn eigenschappen, zijn toepassing o.i.d. Dit doet zich voor bij: hoepel-*, letter-*, lucifers-*, oranje-*, parel-*, riem-*, rozen-*, satijn-*, spijker-* en stinkhout*. - b. De boom kan genoemd zijn naar iets anders dan een eigenschap o.i.d. van het hout. Dan is de bet. van hout dezelfde als een ver-oud. AN bet.: boom. Dit doet zich voor bij: amandel-*, baboen-*, bijl-*, bitter-* (1), bokken-*, cassave-*, mieren-* en waterhout*. - c. Van een aantal namen is (nog) niet duidelijk of ze bij a of b horen: bitter-* (2), gember-*, gomma-*, kalebas-*, kapiteins-*, slangen-* en sponshout*.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

hout
Zie holt 'hoogopgaand loofbos'.

holt 'hoogopgaand loofbos'
Onl. holt, mnl. hout 'hoogopgaand loofbos', ofri. holt, os. holt, oe. holt 'bos', ohd. holz 'boom, hout, klein bos', ono. holt 'klein bos'. Het toponymisch grondwoord holt gaat terug op germ. *hulta, een afleiding van Indo-Europees *kel 'houwen'. Waar lo een licht, open bos op hogere zandgrond aanduidt, geldt holt met name voor een zwaarder bos met hoogopgaand geboomte op de voedselrijkere keileemgronden1. De overgang van holt naar hout treedt op vanaf ca. 1100 en is typerend voor Vlaanderen, Holland, Brabant en Limburg, maar blijft achterwege in de noordoostelijke dialecten2 (vergelijk → Holten). Grondwoord van verschillende plaatsnamen, met als eerste deel een boomnaam, 772 kopie 1170 Elisholz 'elzenbos' (ergens in Zuid-Holland tussen Rijn en Maas gelegen), vaker een plaatsnaam, 918-948 kopie 11e eeuw Heslemaholta (†Heslem, ligging onbekend, in Zuid-Holland)3; 1050 vervalst, kopie 14e eeuw Uotheholt (het eerste deel waarschijnlijk de plaatsnaam → Vught), of een richtingaanduiding 11e eeuw Ostreholt (→ Oosterhout3)4, 11e eeuw Vuoreholt (→Voorhout)5. Persoonsnamen lijken als eerste deel niet voor te komen, wat erop kan duiden dat dit type met holt samengestelde toponiemen terugreikt in een tijd dat bossen nog communaal bezit waren. Een van de oudst overgeleverde bosnamen is 918-948 kopie 11e eeuw in Scranaholt (ligging onbekend, in Noord-Holland)6, een samenstelling met onl. scrana 'van spitsmuizen', vergelijk oe. screáwa 'spits- of veldmuis'.
Lit. 1Spek 2004 200, 2Van Loon 1986 147, 3Künzel e.a. 1989 178, 4Idem 275, 5Idem 373, 6Idem 321.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hout ‘hard gedeelte van bomen; houtwerk van schip’ -> Noors holt ‘klein bos; stuk hout als scheepsonderdeel (kruishout, rondhout)’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds hult ‘houtwerk van een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Chinees-Maleis howt ‘hard gedeelte van bomen’; Negerhollands hout, houtu, hautu ‘hard gedeelte van bomen; houten; boom (speciaal: oude boom)’; Berbice-Nederlands hautu ‘hard gedeelte van bomen’; Skepi-Nederlands hout ‘hard gedeelte van bomen’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Wie is van hout … [boektitel] (1971). De Nederlandse psychiater Jan Foudraine (1929) publiceert in 1971 het boek Wie is van hout …, waarin hij pleit voor een herwaardering van het begrip schizofrenie. Hij stelt dat mensen met schizofrenie niet als ‘zieken’ moeten worden gezien, maar als ‘mensen met problemen’. Zij zijn niet wilsonbekwaam (als hout), maar moeten als mens behandeld worden. Niet alleen met medicijnen, maar ook door met hen te praten. De titel van het boek wordt spreekwoordelijk.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hout* hard gedeelte van bomen 0741 [Claes]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

hout: geen —, informeel voor ‘geen zier; niets’.

‘Je hebt spelers die zo even een balletje of vijf, zes in de kruising schieten,’ zegt Schrijvers. ‘Die snappen er dus geen hout van want ze sturen hun keeper als een dweil de kleedkamer in.’ (Vrij Nederland, 19/09/92)
Tot de trainers die nooit hoog gevoetbald hebben, er zelfs geen hout van konden, behoort Leo Beenhakker. (Nieuwe Revu, 07/01/97)
Je speelt Shakespeare, je houdt ervan, je bent enthousiast en het publiek snapt er geen hout van. (Elsevier, 03/01/98)
Hij beweert bijvoorbeeld in zijn nieuwjaarsartikel in ESB met grote stelligheid dat de wetenschap dit zegt en dat, maar er klopt geen hout van. (HP/De Tijd, 23/01/98)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

971. Hout snijden,

d.w.z. deugdelijk zijn, iets beteekenen, helpen, in de uitdrukking: dat (bijv. eene redeneering, een argument) snijdt geen hout, dat helpt weinig of niets, dat doet weinig af. Oorspr. van een zaag gezegd, die pakt, klemt (vgl. hd. es zieht nicht), zooals men mag opmaken uit eene spreekwijze, opgeteekend bij Campen, 121: tIs een saeghe, die ghien holdt en snidt; Sartorius II, 9, 40: Blaeuwe reden; eene saegh die niet snijdt, de causa rationeve frivola, quaeque minimo negotio queat refelli; Harreb. I, 335.

970. Alle hout is geen timmerhout,

d.w.z. niet ieder is voor een bepaald doel geschikt; men kan voor iets niet iedereen gebruiken; alle grond is geen akkergrond (Harreb. I, 15). Bij Winschooten, 88, lezen we: ‘Alle Hout en is geen Timmerhout, dit werd gepast op iemand, die tot eenige saak, daar men hem gaarn toe soude gebruiken, niet bequaam is’; zoo ook Tuinman I, 299; Bergsma, 9. In het Latijn zeide men: non ex omni ligno debet Mercurius exsculpi; in onze taal: alle hout en is niet goet tot spillen (Smetius, 130) of alle hout is gheen pijlhout (of geen lepelhout), dat overeenkomt met het fr. tout bois n'est pas bon à faire flèche; hd. es läszt sich nicht alles Holz zu Bolzen drehen; nicht jedes Holz ist Löffelholz; eng. every reed will not make a pipe; fri. alle hout is gjin timmerhout. In Zuid-Nederland volgens De Bo, 624 en Teirl. II, 208: al hout en is geen lepelhout, maar ook alle hout is geen timmerhout of pijlhout (Joos, 182). Vgl. ook van het hout gesneden zijn, geschikt zijn voor iets (Dievenp. 162: Dat je daaraan net zoo goed merken kunt of de rechercheur uit 't goeie hout is gesneden), synoniem van van het hout zijn, waarvan men iets maakt of waaruit men iets snijdt; zie Het Volk, 23 Mei 1914, p. 9 k. 3: Het was een ferme arbeider, gesneden uit het hout, waaruit de stoere strijders worden gemaakt; Harreb. I, 337: Zij zijn uit hetzelfde hout gesneden (hd. vom selben Holze; eng. of the same block); Wander II, 760: Er ist vom Holz, woraus man Minister macht. In 't fr. être du bois dont on fait un général. (Aanv.) Voeg bij Je suis du bois dont on fait les violons, ik ben met alles wat men voorstelt tevreden, het is mij gelijk.

972. Op zijn eigen houtje,

d.w.z. op eigen gezag, op zijn eigen handje; ook in het Friesch: hy docht dat op syn eigen houtsje; in het Meiderichsch: upp sien ëgen Höltje (gleich: auf eigene Rechnung und Gefahr; Dirksen I, 15). De uitdr. dateert uit de 17de eeuw en wordt aangetroffen bij Pers, 497 b; 686 a; 738 a; Huygens VIII, 318, 450 en V, 269:

Mijn tuynman had mijn' Elst sijn waschelixte tacken,
Gewaerschout noch gelast, begonnen af te hacken.
Mij docht het was te stout.
Hoe gaet dat, seid' ick, Louwtje,
Kapt ghij mijn eigen hout
En op uw eighen houtje?

Zie verder Tuinman I, 81: Hy doet dat op syn eigen houtje; Harreb. I, 336. Houtje wordt verklaard als kerf houtje, kerfstokVgl. Tuerlinckx, 277: Over sijn hout gaan, alle palen te buiten gaan; Waasch Idiot. 299 a; Teirl. II, 63; Antw. Idiot. 580., en vandaar als rekening, zoodat op zijn eigen houtje dan kan beteekenen op eigen risico, verantwoording, gezag (zie Ndl. Wdb. VI, 1176). Steun vindt deze verklaring in het nd. sick wat up sinen Schalm ansniden, sich etwas auf sein Kerbholz setzen, sich anrechnen; wat up den ollen Schalm ansniden, etw. auf die alte Rechnug setzen: up sinen Schalm handeln, auf eigene Rechnung handeln (Reuter, 96). Dr. H.J. Eymael vat in Tijdschrift XXXIII, p. 198 in deze uitdr. ‘hout’ op als schip, in welken zin het in de 17de eeuw voorkomt. ‘Nu is het van algemeene bekendheid, welk een groot gezag de bestuurder van een schip uitoefent. Is hij echter slechts de kapitein of schipper, dan moet hij dat gezag nog deelen met zijne reeders of principalen, maar behoort het schip hem zelven toe, staat hij op zijn eigen houtje, dan is zijn gezag nagenoeg onbeperkt, kan hij geheel op eigen verantwoordelijkheid handelen. Maar de gevolgen, zooals schade aan “schip en goed”, en “winst en verliezen” komen dan ook voor zijne rekening, evenals die, welke eene mogelijke wetsovertreding, b.v. moord en doodslag, na zich sleept; daaruit ontwikkelt zich de bet. op eigen risico, voor eigen verantwoording, rekening.’

972. Op zijn eigen houtje,

d.w.z. op eigen gezag, op zijn eigen handje; ook in het Friesch: hy docht dat op syn eigen houtsje; in het Meiderichsch: upp sien ëgen Höltje (gleich: auf eigene Rechnung und Gefahr; Dirksen I, 15). De uitdr. dateert uit de 17de eeuw en wordt aangetroffen bij Pers, 497 b; 686 a; 738 a; Huygens VIII, 318, 450 en V, 269:

Mijn tuynman had mijn' Elst sijn waschelixte tacken,
Gewaerschout noch gelast, begonnen af te hacken.
Mij docht het was te stout.
Hoe gaet dat, seid' ick, Louwtje,
Kapt ghij mijn eigen hout
En op uw eighen houtje?

Zie verder Tuinman I, 81: Hy doet dat op syn eigen houtje; Harreb. I, 336. Houtje wordt verklaard als kerf houtje, kerfstokVgl. Tuerlinckx, 277: Over sijn hout gaan, alle palen te buiten gaan; Waasch Idiot. 299 a; Teirl. II, 63; Antw. Idiot. 580., en vandaar als rekening, zoodat op zijn eigen houtje dan kan beteekenen op eigen risico, verantwoording, gezag (zie Ndl. Wdb. VI, 1176). Steun vindt deze verklaring in het nd. sick wat up sinen Schalm ansniden, sich etwas auf sein Kerbholz setzen, sich anrechnen; wat up den ollen Schalm ansniden, etw. auf die alte Rechnug setzen: up sinen Schalm handeln, auf eigene Rechnung handeln (Reuter, 96). Dr. H.J. Eymael vat in Tijdschrift XXXIII, p. 198 in deze uitdr. ‘hout’ op als schip, in welken zin het in de 17de eeuw voorkomt. ‘Nu is het van algemeene bekendheid, welk een groot gezag de bestuurder van een schip uitoefent. Is hij echter slechts de kapitein of schipper, dan moet hij dat gezag nog deelen met zijne reeders of principalen, maar behoort het schip hem zelven toe, staat hij op zijn eigen houtje, dan is zijn gezag nagenoeg onbeperkt, kan hij geheel op eigen verantwoordelijkheid handelen. Maar de gevolgen, zooals schade aan “schip en goed”, en “winst en verliezen” komen dan ook voor zijne rekening, evenals die, welke eene mogelijke wetsovertreding, b.v. moord en doodslag, na zich sleept; daaruit ontwikkelt zich de bet. op eigen risico, voor eigen verantwoording, rekening.’

973. Van dik hout zaagt men planken,

d.w.z. wie het breed heeft, laat het breed hangen; het gaat er van dik hout zaagt men planken, van den hoogen boom af, alsof 't geen geld kost; op flinke wijze, in toepassing op iemand die slaag krijgt. Vgl. Spaan, 43: De gelieven speelden ondertussen van dik hout zaagt men planken, mooy weer; bl. 151: Een paar Meiden, die met zommige Knegts van dik hout zaagt men planken, mooi weêr gespeeld hadden; Langendijk, Don Quichot, bl. 31 (Pantheon):

'Et heughtme nog van flus, dat van dikhout zaegtme planken.

Jan. v. Gysen, Ged. I, 134:

Die liet haar met een Gard, door Meester Hans, de Beul,
Op 't schurfde pokkig vel, van dikhout planken zaagen.

Zie ook Van Zeggelen I, 67; Harreb. I, 336 b; Ndl. Wdb. VI, 1174; Nkr. II, 15 Nov. p. 2: Ik rekende er op dat Mr. Treub het ‘van dik hout zaagt men planken’ in praktijk zou brengen en verwachtte de - nu wel zeer afgezaagde - tirades over willekeur, despotisme, vrijheid van het woord, enz.; Nkr. V, 18 Nov. p. 6: Daar trok de dominee van leer: ‘van dik hout zaagt men planken’; II, 28 Mrt. p. 2. Met weglating van ‘zaagt men planken’ in Sjof. 216: Hij liep weken leeg, dan maakte zijn moeder 's avonds zijn vader den kop warm, en kreeg-t-ie van dik hout op z'n mieter. - Daar men veel planken van dik hout, een dikken boom, kan zagen, (hd. Starke Bäume geben starke Balken), krijgt de zegswijze ‘van dik hout planken zagen’ de bet. van: iets royaal, in ruime mate, flink doen (zie V. Eijk, III, 46: Van dik hout zaagt men planken, met hetgeen deugdelijk is kan men wat uitvoeren, en dit toegepast op slagen: een flink pak slaag toedienen); vgl. van raakum, van patsum, van klinkum, van heb ik jou daar, van komsa, fr. comme ça (Molema, 217), van wat of waar benjeme, van je welste, van lik me vessie, iet van lekt-mij-lipken (Antw. Idiot. 755), een kleermaker van kust me' gat (Antw. Idiot. 447), 't is er een van pak-aan, hij slaat de hand flink aan het werk; het Westvl. van kamer buiten krijgen, niet ingelaten worden (De Bo, 486 a); zie no. 202 noot.

974. Als zij dit doen aan 't groene hout, wat zal aan 't dorre geschieden?

d.w.z. ‘Komt de rechtschapene om, of heeft de vrome veel te lijden, hoe slecht zal het met de slechten en goddeloozen gaan’? Zeeman, 293. De spreekwijze is ontleend aan Luc. XXIII, 31: Want indien sy dit doen aen het groene hout, wat sal aen het dorre geschieden. Ze komt bij ons in de 17de eeuw voor bij Hooft, Ned. Hist. 174: Maar is dit in den groenen houte geschiedt, hoe wil 't den dorren gaan? Zie ook Harreb. I, 336 b; fr. si le bois vert est ainsi traité que sera-ce du bois sec; hd. wenn das am grünen Holz geschieht, was soll am dürren werden (Wander II, 757); eng. if they do these things in the green tree, what shall be done in the dry.

975. Van 't houtje zijn,

d.w.z. Roomsch-Katholiek zijn; fri. fen 't houtsje wêze; eig. behooren tot degenen, die het kruishout, als teeken der verlossing, hoog vereeren. Ook hoort men hiervoor zeggen van nommer tien zijn (Harrebomée II, 128) of van het tiende bataljon zijn, eene zinspeling op het kruisteeken; toffelmones zijnZie Tijdschrift voor Taal en Letteren, IX, 125; X, 84; 37 (chattes-jemône); Prol. 15: Zoo benne ze allemaal die toffelmones benne; van jongs af an worde ze bedonderd door de kerk; A. Jodenh., 32: Met zoo'n effe tofelemone gezig het Zwaap ze uitgeleide gedaan tot an de deur; bl. 36: Daar staane me op 'n kast allemaal groote jijzelebeelde en Moeder-maria-koppe en nog meer toofelmone dinge; Kluge, Rotw. 297: doflemonisch; vgl. ook p. 207 en 287; Voorzanger en Polak, 309: topheil èmunoh, afwijkend geloof.; zie Laurillard, 53 noot en vgl. Sjof. 191: Die knul was roomsch en de patroon was ook van 't houtje; bl. 198: As-t-ie maar van 't houtje was geweest; as-t-ie maar gedaan had als de meesterknecht en roomsch geworden was; Speenhoff VI, 43: Kuyper, Kuyper, fiere Kuyper, Hollandsche Napoleon, vraag de Heeren van 't houtje medelijden als het kon; Het Volk, 24 Oct. 1913, p. 5 k. 1: De S.D.A.P. trok aan 't touwtje! maar ook de lui die van 't houtje en zij, die fijn Protestant zijn, zouden nu bij-de-hand zijn; Nkr. V, 24 Juni, p. 6: Kolkman plus twee Regouts die zijn met hun drieën van 't houtje; Ndl. Wdb. VI, 1175.

976. Op een houtje moeten bijten,

d.w.z.: niets te eten hebben, armoede lijden. Vgl. Handelsblad 19 Juli 1921 (A) p. 5 k. 1: Hoe denk je dat ik aan mijn boterham kom? Door mijn voet te zetten op den nek van het publiek. Overdonderen moet je ze, en ze gepeperd de waarheid zeggen. Daar betalen ze voor. En anders blijven ze weg, en kunnen wij op een houtje bijten; 25 Juli 1921 (A) p. 2 k. 2: De arbeider, die 's winters spek en worst wil hebben, en daarvoor het halve jaar een varken vetmest, kan het nu niet kroppen. Als er niet spoedig en niet veel regen komt, wordt het voor hem strakjes ‘op een houtje bijten’; Amsterdammer 25 Maart 1922 p. 3 k. 4: En dan.... als men (tooneelschrijver) aftandsch wordt en de directies houden vol met hun uitheemsche voorliefde? Dan zit men met een boekenplank vol ongespeelde stukken.... en mag verder op een houtje bijten. Vgl. zuidndl. op de kom of op de kribbe bijten.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut