Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

houden - (niet afstaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

houden ww. ‘niet afstaan’
Onl. met voorvoegsel be- in behaldan (verl.deelw.) ‘behouden, gered’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. halden, houden ‘behoeden, bewaken, bewaren; bezitten, besturen; vieren’, bijv. hof ... halden ‘een hoffeest houden, doen plaatsvinden, vieren’ [1200; CG II, Servas], so wie ... dinc houdet (3e pers. ev.) ‘wie iets niet afstaat’ [1236; CG I, 28].
Houden is ontwikkeld uit mnl. halden met de klankovergang zoals beschreven bij → koud.
Os. haldan (mnd. hōlden); ohd. haltan (nhd. halten); oe. haldan, healdan (ne. hold); on. halda (nzw. hålla); got. haldan ‘(vee) hoeden’ < pgm. *haldan-. De oorspr. betekenis is wrsch. zoals in het Gotisch ‘(vee) hoeden’, maar in de afzonderlijke Germaanse talen komt al een grote diversiteit aan afgeleide betekenissen voor.
De verder etymologie is zeer onzeker. Onwaarschijnlijk is verwantschap met: Grieks kéllein ‘aandrijven, doen bewegen’; Latijn celer ‘snel’; Sanskrit kaláyati ‘(vee) drijven; dragen’; < pie. *kel- ‘drijven, opjagen’ (IEW 548), mogelijk dezelfde wortel als pie. *kel- ‘verbergen’, zie → helen 2.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

houden* [niet afstaan, tegenhouden] {oudnederlands halden 901-1000, middelnederlands houden, holden [bewaken, behouden, hoeden (van vee), verzorgen, houden]} oudsaksisch haldan [hoeden, weiden], oudhoogduits haltan, oudfries halda, oudengels healdan, oudnoors halda, gotisch haldan; buiten het germ. latijn celer [snel, eig.: voortgedreven, druk bezocht], grieks kellein [naar land drijven (overgankelijk)], oudindisch kalayati [hij drijft voort]; de betekenis ‘hoeden van vee’ is waarschijnlijk de oudste. De uitdrukking houden van betekende in het middelnl. ‘iets in leen hebben van’, ‘iemands vazal zijn’, vandaar ‘om iem. geven’ en ten slotte ‘iem. beminnen’. Ook het houden met iemand komt voor in middelnederlands hem houden met enen [zich aansluiten bij iem., zijn partij kiezen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

houden ww., mnl. houden ‘behoeden, bewaren, houden, bezitten, besturen’, os. haldan ‘zorgen voor, zich houden aan, houden van’, ohd. haltan ‘behoeden, verzorgen, bewaren’, ofri. halda ‘houden, vasthouden, handhaven, bewaren, verhinderen’, oe. healdan ‘houden, bewaren, bewaken, zorgen voor, besturen, inhouden, verhinderen, standhouden’, on. halda ‘vasthouden, behouden, bewaren, bezitten, handhaven, menen, houden voor’, got. haldan ‘hoeden, weiden’. — Neemt men als oudste bet. aan ‘vee hoeden’ (W. P. Lehmann, Lang. 18, 1942, 129), dan kan men vergelijken gr. kélomai ‘drijf voort’, boukólos ‘veeherder’, oi. kaláyati ‘vee drijven, houden, dragen’, lat. celer ‘snel’ (IEW 548).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

houden ww., mnl. houden “behoeden, zorgen voor, bewaren, houden, vasthouden, bezitten, besturen, inhouden”. = ohd. haltan “behoeden, verzorgen, bewaren” (nhd. halten), os. haldan “behoeden, zorgen voor, zich houden aan, vieren, houden voor”, ofri. halda “houden, vasthouden, handhaven, zich houden aan, in stand houden, bewaren, behouden, verhinderen”, ags. healdan “houden, bewaren, bewaken, zorgen voor, besturen, hebben, inhouden, verhinderen, standhouden” (eng. to hold), on. halda “vasthouden, behouden, bewaren, zich houden aan, bezitten, handhaven, meenen, houden voor, aansturen op”, got. haldan “hoeden, weiden”. Men houdt de ð (: zw. hålla met germ. þ) voor formantisch en vergelijkt ier. bua-chaill “herder”, gr. kéllō “ik drijf”, kélomai, “ik spoor aan”, bou-kólos “koeherder”, oi. kaláyati “hij drijft, houdt, draagt”, waarbij sommigen nog lat. celer “snel” brengen. Als av. kǝrǝϑwan- “persoon die hoedt, bewaakt” verwant is, zou qel-t-, qel-t- reeds in ’t Idg. “hoeden” beteekend kunnen hebben. Van qel-t- “aandrijven, vlug bewegen” kan mnd. hilde, hille “vlug, ijverig” komen. Obg. kladą klasti “laden, leggen” kan nog verwant zijn (idg. qlâ-dh- of qlâ-d-), maar dat is hoogst onzeker.

[Aanvullingen en Verbeteringen] houden. Bij gr. kéllō enz. mogelijk ook arm. kʿełi “roer”, alb. kał “ik sticht, richt in”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

houden. Dat lat. celer ‘snel’ tot de hier besproken woordfamilie behoort, wordt tegenwoordig vrij eenstemmig aangenomen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

houden o.w., Mnl. id., Os. haldan + Ohd. haltan (Mhd. en Nhd. halten), Ags. healdan (Eng. to hold), Ofri. halda, On. id. (Zw. hålla, De. holde), Go. haldan: Germ. wrt. hald, wellicht met -d- suffix van Idg. wrt. kel: Skr. wrt. kal = drijven, Gr. kélleín = drijven, bou-kólos, Oier. bua-chaill veehoeder, koeherder.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hawwe (ww.) houden; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) hauwen, Aajdnederlands haldan <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

houden (hield, heeft gehouden), (ook:) bewaren. Geef me dat geld, laat ik ’t houwen voor je (Cairo 1980b: 40). - Etym.: In AN in allerlei soortgelijke bet., maar niet precies deze.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?,

Hou, term in albasterspel, teenoorgesteld aan tjoema, tjoens. Hou speel, Ndl. in ernst, E. for keeps. – De Taalgids I, 102 vgg.: “Houwes (uit), in ernst” (Noord-Hollands); Noord en Zuid III, 111 vgg.: “Houwes (om), bijw. Om houwers spelen. Knerren (= knikkeren) om jok of hous” (Vlaardingens); Dek 66: “Uut ôuwens spelen”.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (2000), Jemig de pemig!: de invloed van Van Kooten en De Bie op het Nederlands, Amsterdam

Hou je d’r buiten Cock

Op schrift wordt de uitdrukking hou je d’r buiten Cock bijna niet aangetroffen. Althans, niet zonder verwijzing naar Cor van der Laak, of Kees of Barbara van Kooten. Maar op straat of in gesprekken hoor je ’m nog wel eens, bijvoorbeeld als iemand ‘hou je d’r buiten’ zegt. De ander voegt daar dan snel ‘Cock’ aan toe, omdat klassieke citaten nu eenmaal vragen om een correcte behandeling. In haar complete vorm wordt de uitdrukking in de spreektaal meestal schertsend gebruikt om te zeggen ‘hou je mond’, ‘bemoei je er niet mee’ of ‘laat me even uitpraten’.

De Cock in deze uitdrukking is natuurlijk Cock van der Laak, de vrouw van Cor. Als echtgenote van Cor verscheen zij op 7 oktober 1979 voor het eerst op de televisie. Maar twee jaar daarvoor had Barbara van Kooten al een andere ‘Cock’ gespeeld, namelijk de vrouw van Bert van Kooten, beter bekend als de geilneef. Ook deze Cockie had het zwaar, want Bert wilde, zelfs na vijftien jaar huwelijk, wel drie of vier keer per dag ‘samenleving’. Cock: ‘Toen we net getrouwd waren dacht ik, dat zakt wel af als ik eenmaal een beetje uitgezakt ben, maar het wordt steeds erger!’

Bij haar debuut staat Cock van der Laak druiven te persen in een afwasteiltje, terwijl Cor zich beklaagt over de verhoging van de accijns op sigaretten en drank. Als zij iets wil zeggen, bekt hij haar af met: ‘Hou je d’r buiten Cock.’ Dit zou een running gag worden. Meestal liet Cock zich afbekken, maar zij pleegde ook stil verzet: met gebaren of gezichtsuitdrukkingen zette zij Cor min of meer te kakken.

Aan Opzij vertelde Barbara van Kooten in 1995 hoe ze aan het typetje Cock van der Laak was gekomen:

Er was een vrouw nodig die Kees en Wim zelf niet wilden spelen. Het leek mij wel wat. Ik had als typetje een soort Zangeres Zonder Naam in mijn hoofd en daaruit is Cock geboren. De naam had ik ooit gehoord en hij is me altijd bijgebleven omdat ik de naam en het hoofd van de draagster zo ver van elkaar af vond staan. Cock, zo heette in mijn ogen een vlotte blondine, maar zij zag eruit als een Geertruida. Haar wilde ik worden. Ik vond het leuk om te doen, maar op het moment dat ik ondanks mijn vermomming op straat werd aangesproken, dacht ik: ik stop ermee, daar heb ik echt geen zin in. Ik wil kunnen rondlopen zonder lastig gevallen te worden.

Voor tenminste twee mensen in Nederland heeft de uitdrukking hou je d’r buiten Cock een bijzondere betekenis. De eerste is Ab Kok, inmiddels sprookjesverteller van beroep. In 1979 werd hij, vers van de pedagogische academie, aangesteld om godsdienstles te geven aan een lts. Aan Trouw vertelde hij hier later over:

Jongens en godsdienst is water en vuur. Het laatste waar ze in geïnteresseerd zijn, is God en de bijbel. Wat ik niet allemaal meegemaakt heb tijdens de les: stinkbommetjes, traangas, kauwgum, passers, sneeuwballen, seksboekjes, condooms, natte washandjes... Je kon het zo gek niet verzinnen of er werd mee gegooid. [...] In die tijd hadden Van Kooten en De Bie sketches met het typetje Cor van der Laak. Die had een vrouw: Cock (‘hou je d’r buiten’) en een debiele zoon Ab (‘hou je d’r buiten’). Moet je toevallig Ab Kok heten. Kwam ik daags na zo’n uitzending op school, riepen collega’s vanuit de lerarenkamer naar mij: ‘Hou je d’r buiten, Kok!’ Als kinderen merken dat er om jou gelachen wordt, kun je het verder wel vergeten.

Of premier Wim Kok ooit de sketches van Cor, Ab en Cock heeft gezien is niet bekend, maar zo niet, dan heeft hij er in 1996 zeker navraag naar gedaan. De Socialistische Partij maakte toen reclame met een spotprent van Bolkestein en Kok. Kok staat schuin achter Bolkestein en probeert iets te zeggen, maar hij komt niet verder dan ‘Mijnheer de voorz...’. Bolkestein ontneemt hem het woord met een arrogante blik en met een kleine variant op een gevleugeld woord: ‘Hou je d’r buiten, Kok!’

Zie ook Cor van der Laak; en wel hierom en van die dingen dus.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Houden bet. oorspr. vee hoeden, weiden, bewaken; hieruit ontwikkelde zich onze tegenwoordige bet., n.1.: vasthouden, niet loslaten, niet afgeven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

houden ‘niet afstaan, tegenhouden’ -> Fries derop neihâlde ‘erop na houden, bezitten’; Negerhollands hou, how ‘bewaren, onder toezicht houden, behouden, onderhouden, afgaan op (aanhouden op)’; Berbice-Nederlands hau ‘niet afstaan, tegenhouden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

houden* niet afstaan, tegenhouden 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

865. Iemands (heele) hebben en houden,

d.w.z. iemands have en goed, al wat hij bezit. In de middeleeuwen komt de verbinding houden ende hebben voor in den zin van voortdurend bezitten, syn. van besitten ende houden; eng. to have and to hold. Beide wkw. drukken hetzelfde begrip uit, nl. dat van ‘bezitten’. Zie Mnl. Wdb. III, 634; Ndl. Wdb. VI, 185; Nkr. III, 31 Jan. p. 2: Och, arme kerel, heb jij in den zomer heel je hebben-en-houen opgegeten? Syn. Met al zijn hebben en zijn (in B.B. 299).

968. Houden van iemand,

d.w.z. iemand liefhebben. In de middeleeuwen beteekent houden van iets in leen hebben van, iemands vasal zijn (fr. tenir (un fief) de quelqu'un), afhankelijk zijn; vandaar om iemand geven, zich om iemand bekommeren; ophebben met (vooral in de uitdr. vele van hem selven houden, d.i. hoogmoedig, ingebeeld zijn), waaruit zich de tegenwoordige beteekenis van liefhebben, beminnen kan hebben ontwikkeld; fri. fen immen hâlde. Zie het Mnl. Wdb. III. 632-634; Ndl. Wdb. VI, 1148, maar ook in het hd. halten von einem (sich im Sinne mit halten auf einen berührend), iemand hoogachten, met iem. ophebbenZie N. Taalgids, XIV, 17 noot..

969. Het houden met iemand,

d.i. iemand toegenegen zijn, hem aanhangen, zijne partij kiezen; ook in ongunstigen zin met iemand heulen; verboden omgang hebben met iemand. In het mnl. beteekende hem houden met (ane, in) enen zich aansluiten bij iemand, hem als leidsman erkennen, zijne partij kiezen; vgl. Proza-Sp. 117 a: Want Cleopatra meer met haren man houdende was, dan met haren vadere. Zie ook Kiliaen: Houden, aenhouden met iemanden, stare ab aliquo, assentire alicui, fovere alicuius partes; Hooft, Ged. II, 418:

Ick sweer nae wijz en wetten d' heerschappije
Bij raedt van d' edelst' en de best' der burgerije
Te voeren over u, mijn lieden; dien naer mij,
Met wien ghij 't houdt, voortaen uw naem Baethauwers zij.

Vgl. verder Mnl. Wdb. III, 642-643; Ndl. Wdb. VI, 1164; Halma, 228: Het met iemand houden, tenir le parti ou suivre le sentiment de quelqu'un; fr. tenir à, houden van; Zuidndl. houden aan iemand; hd. es mit jem. haltenPaul, Wtb. 233 b: Sehr üblich war früher ein Spiel, etwas im Spiel Eingesetzes halten; daher es mit einem halten (auf seiner Seite stehen).; eng. to keep well with a p., op goeden voet staan met iemand; to hold with a p., het met iemand eens zijn; fri. it mei in-oar (elkander) hâlde.

1409. Iemand aan het lijntje houden,

d.w.z. iemand vasthouden, niet loslaten, iemand door gedurig uitstellen misleiden, mnl. enen lopende houden; iemand aan (of op) het sleeptouw houden, of, zooals Vondel zegt in de Leeuwendalers, vs. 1308; Iemand aan het lange touw houden; 17de eeuw: iemand ophouden; 18de eeuw: iemand in 't lange pak laten loopen (Tuinman II, 112; C. Wildsch. IV, 310; 333); Villiers, 75. In Zuid-Nederland: iemand aan (of in) den draai of in de(n) wiggel houden (Schuerm. 103 b; Antw. Idiot. 1442; Waasch Idiot. 187 a); iemand aan den tar (vogellijm) houden (Antw. Idiot. 1225); in Limburg: iemand aan de lange lijn houden (bij AsselijnZie Tijdschrift XXVIII, 181: Laten wij ze maar vrij zo sleepende ondertusschen noch aan de lange lijn houwen.; Welters, 77). Schuermans, 103 verklaart iemand aan den draad houden als iemand aan den klap (praat) houden. In Friesland beteekent immen oan 't lyntsje hâlde, vriendschap of verkeering met iemand onderhouden uit belangzucht, waarvoor de Groningers zeggen: an de liemgar hebben (Molema, 244 bIn Friesland kent men in denzelfden zin ‘iemand op den tocht houden’, dat duidelijk wordt, wanneer men weet dat in het Zaansch tocht snoer van een vischtuig is; in Groningen zegt men op tobbe holle of op toppen hollen; oostfri. ene up of in de tobbe hollen, welk ‘tobben’ trekken, tokkelen beteekent; mnd upm tucke (fri. op tok) holden, nicht zur Ruhe kommen lassen; fri. immen op 'e tok hâlde, aan het lange lijntje houden, zonder uitslag te geven.); nd. he hett hum an 't Tau (Wander, IV, 1038).

2604. Woord houden,

d.w.z. zijne belofte houden, nakomen wat men beloofd heeft. ‘Dat men zijn woord moest houden beteekende in het Germaansch, dat men het rechtens niet mocht intrekken, dat handelingen, in strijd met dat gegeven woord, rechtens nietig waren. Die verplichting sloot niet in de verplichting om te doen wat men heeft beloofd. Er bestond dan ook een groot onderscheid tusschen tenere en facere, holden en leisten, halden en gevenZie Fockema Andreae in de Mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1897-'98, bl. 105..’ In het mnl. heeft de uitdr. de tegenwoordige beteekenis; zie het Mnl. Wdb. IV, 628; Halma, 794 en vgl. fr. tenir (sa) parole; hd. (sein) Wort halten; eng. to keep one's word; fri. wird hâlde.

2441. Voet bij stuk houden (of zetten),

d.i. blijven bij het onderwerp, waarover men spreekt; niet van de bate wegdraaien, zooals de Westvlamingen zeggenDe Bo, 71 a., niet afwijken van zijn plan; zijn eigen op zijn punt houdenAntw. Idiot. 1007., niet toegeven; ‘zich op de volvoering van zijn eigenlijk opzet toeleggen’ (Weiland). De uitdrukking komt in de 16de eeuw voor bij Kiliaen, met dit verschil, dat hij niet van stuk maar van stek spreekt; vgl. Voet by steck setten, voet by voet setten, collato pede proeliari: gradum conferre cum hoste: conferre manum: ad manus venire. Evenzoo bij Plantijn: Voet by steck setten: mettre pied contre pied; Marnix, Byenc. 16 r: Daer moesten sy voet by steck setten, ende so lange kampen tot dat sy haer vleesch gantsch overwonnen hadden; Huygens V, 57; Hofwijck, vs. 1753: Houdt jy maer voet by steck; Poirters, Mask. 170: Den oprechten toetssteen dan vande waraghtighe, ende goetjonstighe vrinden is teghenspoet; die dan voet by steck houdt die moght ghy vrijlijck voor eenen vrindt teeckenen. In de 18de eeuw geeft Tuinman I, 38 eveneens nog op ‘voet by stek zetten’ met de verklaring ‘Dit acht ik genomen te zyn van die in een tweegevecht voet tegen voet zetten, en niet te rugge wyken van het voorgeschreven perk: gelyk zo de Latijnen zeggen: collato pede pugnare. 't Word overgebragt op ymand die stand houd, en niet deinst in eenige zaak’. Thans nog in Zuidndl. dial. voet bij stek houden, iets niet opgeven (Antw. Idiot. 1391; Waasch Idiot. 626 a; 719 b); Schuermans, 674 b: voet bij stek houden, standvastig volharden, volhouden (Brab. Antw.). Hiernaast komt sedert de 16de eeuw ook voor voet bij stuk (of 't stuk) zetten; vgl. Tijdschrift XXXII, 156: ‘Ten huyze van eenen Thielman soetelaer’ is een ‘root schoorlaeckense galeybrouck’ weggenomen. Genoemde Thielman verklaart ‘dat het Jan van Gent ende Henrick van Diest gedaen hadden ende dat hij deselve voor die man hielt ende voet bij stuck wilde setten (anno 1575); Winschooten, 303: Voet bij 't stuk setten: het welk eigendlijk beteekend, de voet setten bij het geschutVgl. het eng. to stand to one's gun(s); to run away from one's own guns? en dewijl dit als een teeken van onversaagdheid gereekend werd, soo daagd de eene konstaapel den ander wel eens uit: seggende, soo gij een braaf kaarel sijt, en moed en courage hebt, maak niet veel praats! maar set voet bij 't stuk, het welk ook oneigendlijk genoomen werd, voor sijn woord gestand doen; bewijsen met 'er daad, dat men gesprooken heeft; Seven Engelen der Dienstmaagden (anno 1697), bl. 99: Daarom is het best, dat ik weer voet by stuk set; Antonides II, 184: Zet eens voet by stuk; Van Effen, Spect. V, 189: Deze onverwagte verweering deed hem zyne pogingen verdubbelen om my te dwingen voet by stuk te zetten, om regt met my aan 't werk te raken; Rusting, 412; Boere-krakeel, 29: Hy zet 'er pal en voet by 't stuk; Halma, 737: Voet bij 't stuk zetten, toetreeden om iets te doen, eene zaak verdeedigen; voet bij 't stuk houden, wakker strijden; evenzoo bij Sewel, 902; Kmz. 262; Kalv. II, 35; Tuerlinckx, 701: voet bij stäk (stok), voet bij stuk houden; fri. foet by stik hâlde. Dat de oorspronkelijke beteekenis van stuk niet, zooals Winschooten meent, die van een stuk geschut geweest is, bewijst de vorm stek, die op de oudste plaatsen voorkomt, en waaraan ik met Tuinman I, 266 de beteekenis paal, grens, meet zou willen toekennen, zoodat de uitdrukking dan te vergelijken is met zich schrap zetten, in welken zin zij ook door Kiliaen wordt vermeld. Onder invloed van uitdr. als bij zijn stuk blijven, op zijn stuk staan, van zijn stuk zijn en dergelijke kan later stek veranderd zijn in stukDr. J. Prinsen spreekt in Tijdschrift, XXXII, 157 het vermoeden uit dat de uitdr. aan de Oud-Germaansche rechtspractijk is ontleend, en vraagt: Kan het zich plaatsen bij of op een betwist voorwerp niet het symbool zijn geweest, dat men zijn recht erop wilde verdedigen?. Vgl. Kiliaen: stick, sax. j. steck, stipes; Teuth.2 376: stecke, stipes, stilus; Schuerm. 674 b: stek, stok; Bijv. 320: van zijnen stek vallen, van zijn stokje vallen; De Bo, 1094 b: stek, puntige stok; Molema, 401 a: 't Met iemand in 't stek hebben, aan den stok hebben. Steun aan deze verklaring geven het oostfri.: de fôt bi de stok setten, syn. van de fôt bi 't mâl (merkzeichen) holden (Ten Doornk. Koolm. I, 547 b; Grimm IV, 980); Molema, 258 b: Vout bie de meet hollen (fri. foet by de miet hâlde, zich aan orde en regel houden); Halma, 258: Zijne keep houden, soutenir sa thèse; Sewel, 382: Ik hou keep, ik blyf by myn stuk; bij Rusting, 566: keep geven, toegeven; Weiland: hij houdt zijne keep, hij staat op zijn stuk; V.d. Water, 93; Bouman, 51; Ndl. Wdb. VII, 1956; afrik. jy moet voet by stuk hou. Zie no. 2029.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut