Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hottentot - (Zuid-Afrikaans ras)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Hottentot [Zuid-Afrikaans ras] {1652} door de Hollanders zo genoemd omdat ze bij het dansen steeds hot, hot zongen; zij noemden zichzelf khoin khoin [mensen der mensen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hottentot znw. m., naam van Zuidafrikaanse stam, die door de Hollanders gegeven is, omdat zij bij hun dansen voortdurend hot, hot, hot zongen (zo Mercklein 1653 in zijn journaal, vgl. ook D. C. Hesseling Ts. 35, 1916, 267-274).

Van Riebeeck 1652 noemt ook de vormen ottentot en hottentoo. — Uit het afrikaans > ne. hottentot (sedert 1677), nhd. hottentotte, nfra. hottentot(e).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

Hottentot m., redupl. met gewijzigden beginklank van tot = klein stuk, verwant met toot; de bet. is dreumes.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

Hotnot: – Hottentot – , i.v.m. wv., bet. en gebr. in uitdr. v. WAT (s.v. Hotnot en Hottentot); uit AS (22, 2 (1963), p. 65) blyk dat reeds ± 20 verkl. v. dié ben. gegee is en dat hulle gedraai het om Ndl. of Hott. herk. Verkl. uit Ndl. het berus op ’n verkeerde vertolking v. Dap (1668) i.v.m. Ndl. hottentot, “hakkelaar”, wat Nederland in- en nie uitgevoer is nie (v. Hes TNTL 35, en dPI S2A3, 1918); daarteenoor verkl. v. De Beaulieu (1620) dat hautitou in Hott. singery gehoor word, wat vir Olaffson (1623, by Phillp) soos hottentot geklink het, sodat Tavernier (1649, by Phill) dié singende mense Hosentotes genoem het, terwyl Hond (1652) bevestig het dat die skipbreukelinge v. d. Haarlem (1647-8) hulle so genoem het n.a.v. die redup. kn. ho(t)-ho(t)-ho(t) by die singery (Nien HOTT, hfst. 5-6).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

hottentot: onbeschaafd, dom persoon. Eigenlijk: lid van een stam uit Zuidwest-Afrika. Het is een klanknabootsend woord. Volgens Van Dale ‘door de Hollanders zo genoemd omdat ze bij het dansen steeds hot, hot zongen’. Hottentot als term voor een stotteraar (voor de kolonialen was de taal van de inboorlingen onverstaanbaar) is ondertussen in onbruik geraakt. In Zuid-Afrika is hottentot sedert de achttiende eeuw een denigrerende benaming voor een neger. En in de Londense buurt East End wordt met het woord een vreemde aangeduid. Vandaar de (Engelse) uitroep hottentots! wanneer vreemden in aantocht zijn.

Zo eene beschermende leidsvrouw als onze Styntje, in plaats van die blinde leidslieden, in plaats van een assurant onbehouwen hottentot van een Bregt. (Betje Wolff en Aagje Deken, Blank, 1787)
Loop naar de Mookerhei, Jan Jurk met je verrekrok. Ik heb je al lang in den zak, Hottentot! (A.P. van Groeningen, Een Nest Menschen, 1895)
‘Met je klauwe van me lijf blijve, hottentot!’ schreeuwde Tonia. (Willem van Iependaal, Polletje Piekhaar, 1935)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Hottentot, volksnaam; overdracht. ook wel voor: een vreemde persoonlijkheid, rare stoethaspel, barbaar. De naam is door onze ontdekkingsreizigers spottend gegeven aan die volksstammen naar de klanken, die men veel in hun taal hoorde: ho, hot, tot, hodutani en hotanidu. De bet. stotteraar of onverstaanbaar sprekende, die het vroeger wel had, schijnt later eerst ontstaan te zijn bij overdracht (b.v. Halma: “Hottentot, un homme d’un language extrêmement obscure ou désagréable”); verg. nu ook: ’t lijkt wel of hij Hebreeuwsch praat. (Zie Ts. 37, 273).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

Hottentot ‘lid van een Zuid-Afrikaans volk’ -> Engels Hottentot ‘lid van een Zuid-Afrikaans volk; onbeschaafd persoon; Zuid-Afrikaanse vissoort; het Hottentots (Khoikhoin)’; Duits Hottentotte ‘lid van een Zuid-Afrikaans volk; lomperd, vlegel’; Deens hottentot ‘lid van een Zuid-Afrikaans volk’; Noors hottentot ‘lid van een Zuid-Afrikaans volk’; Zweeds hottentott ‘lid van een Zuid-Afrikaans volk’; Fins hottentotti ‘lid van een Zuid-Afrikaans volk’; Frans hottentot ‘lid van een Zuid-Afrikaans volk’; Italiaans ottentotto ‘lid van een Zuid-Afrikaans volk; Hottentots; (fig.) lomperd, vlegel’; Tsjechisch hotentot ‘onbeschaafd of dom persoon’; Slowaaks hotentot ‘onbeschaafd of dom persoon’; Kroatisch Hotentot ‘lid van een Zuid-Afrikaans volk’; Macedonisch hotentot ‘lid van een Zuid-Afrikaans volk’; Servisch hotentot ‘lid van een Zuid-Afrikaans volk’; Sloveens hotentot ‘lid van een Zuid-Afrikaans volk’; Litouws hotentotai ‘lid van een Zuid-Afrikaans volk’; Hongaars hottentotta ‘lid van een Zuid-Afrikaans volk’ ; Esperanto hotentoto ‘lid van een Zuid-Afrikaans volk’ .

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal