Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hostess - (professionele gastvrouw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hostess zn. ‘professionele gastvrouw’
Nnl. in de hulp van den steward of air-hostess [1932; Luchtvaartkalender 1933, laatste blad], air-hostess ‘stewardess in passagiersvliegtuig’ [1936; Kramers II], hostess ‘professionele gastvrouw’ [1959; WNT Aanv.], ‘prostituee in een seksclub’ [1986; Koenen].
Ontleend aan Engels hostess ‘gastvrouw’, zelf ontleend aan Oudfrans hostesse ‘gastvrouw’, afleiding van hoste ‘gastheer’ (Nieuwfrans hôte), ontwikkeld uit Latijn hospes ‘id.’, zie → hospita.
In het Middelengels bestaan alleen de betekenissen ‘zij die een feest, diner etc. geeft’ [1385; OED], nog heel gebruikelijk in het Nieuwengels, en ‘herbergierster’ [1290; OED]. Die laatste betekenis bestaat tot in de 20e eeuw, waarna, eerst in het Amerikaans-Engels, een verschuiving optreedt naar ‘betaalde vrouwelijke kracht die in hotels of restaurants de gasten ontvangt en begeleidt’ [1940; OED]. Ongeveer tegelijkertijd, ook eerst in het Amerikaans-Engels, ontstaat de verbinding air-hostess voor ‘stewardess in een vliegtuig’ [1934; OED], en gaat hostess ook betekenen ‘stewardess in langeafstandstreinen etc.’ [1940; OED]; in die betekenissen is het woord in het Nederlands ontleend. Het Engels ontwikkelde daarnaast de betekenissen ‘danspartner of entertainster in nachtclub’ [1931; OED] en ‘vrouw die tegen betaling een man als partner vergezelt naar een dancing of nachtclub’, en als afgeleide van deze twee ook ‘prostituee’ [1937; OED]. Die laatste betekenis is ook in het Nederlands overgenomen, met de specifieke betekenis ‘prostituee in een seksclub’, met daarnaast het eveneens aan het Engels ontleende → escort.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

hostess (Engels hostess)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hostess ‘gastvrouw in vliegtuigen e.d.’ -> Menadonees hostès ‘serveerster in nachtclub’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hostess gastvrouw in vliegtuigen e.d. 1959 [Aanv WNT] <Engels

hostess chique prostituee 1989 [Peptalk] <Engels

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

host; hostess (← Eng.), gastheer of gastvrouw, bij een luchtvaartmaatschappij of in de toeristische sector.

Peter Thiebaut zit in het laatste jaar van de toerisme-afdeling in Mechelen. Het is een humaniora-opleiding. In de vakantieperiode is hij regelmatig ‘host’ bij een grote busmaatschappij die busreizen organiseert naar Spanje. (Campus, juni 1988)
Host/hostess: iemand die optreedt als gastheer/gastvrouw en hiervoor bijvoorbeeld in dienst is bij een luchtvaartmaatschappij (steward/ess), touroperator (standplaatshost/ess), congresorganisatie. (Vivian F.C. Kleyn: Toeristisch Lexicon, 1991)
Host: gastheer. (Liesbeth Koenen en Rik Smits: Peptalk, 1992)
hostess ook als eufemisme voor een jonge vrouw die tegen betaling mannelijke klanten ontvangt in een seksclub; de wat chiquere prostituee. → gastvrouw*.
De Miljardair werd al snel een goudmijn, en dat kwam minder door de ‘stijlvolle hostessen en exclusieve stripnummers’, dan door de serie kamertjes boven de club, waar de meisjes klanten moesten afwerken... (Vrij Nederland, 12/09/92)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut