Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hossen - (springen en dansen in een menigte)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hossen ww. ‘springen en dansen in een menigte’
Nnl. in het wilde gehos van een troep kermisgasten [1877; WNT gehots], hossen [1884; van Dale].
Hoewel in deze betekenis alleen de vorm hossen voorkomt, is dit woord wrsch. een variant met assimilatie ts > ss van het oudere hotsen ‘zich schokkend voortbewegen (van een wagen)’: vnnl. myn voort-varende ziel van blydschap host en bruyst [1612; WNT], aen 't hellen en aen 't hotsen [1666; WNT]; nnl. het legerrytuig host en rammelt [ca. 1715; WNT], ook in jy hotst my al myn ribben stukken [1721; WNT]. Dit werkwoord is ontleend aan (verouderd) Hoogduits hotzen ‘zich schokkend voortbewegen’ [1500-50; Grimm], waaruit ook Nederduits hotzen. Van het Duitse werkwoord is de herkomst onduidelijk, misschien een variant van mhd. hutzen ‘heen en weer bewegen’, zie → husselen. Klanknabootsing lijkt ook mogelijk.
FvW voert Indo-Europees vergelijkingsmateriaal aan, maar duidelijkheid ontbreekt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hossen [elkaar arm in arm vasthoudend dansen] {1612 in de betekenis ‘schokkend bewegen’; de huidige betekenis 1897} geassimileerd uit hotsen.

hotsen [schokkend voortgaan] {1726} evenals hossen < hoogduits hotzen [schommelen, schudden] (vgl. hotten) → hotten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hotsen ww., in de 17de eeuw < nhd. hotzen ‘schudden’, laat-mhd. hotzen ‘schommelen, schudden, snel lopen’; de nnl. vorm van dit woord is dus hotten. — Uit hotsen is later weer hossen ontstaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hotsen ww., nog niet bij Kil. Wsch. ± 1600 uit ’t Hd. overgenomen; hossen, ook nog niet bij Kil., is wsch. ’t zelfde woord; uit hotsen ontstond hossen evenals nies uit niets e. dgl. De afl. van hotsen uit fr. hocher “schudden” is minder wsch. Met hd. hotzen “schudden”, laat-mhd. hotzen “schommelen, schudden, snel loopen” vgl. westf. hotteln “trillen”, oostfri. hotjen, hutjen “schudden, hossen”, vla. hotteren “schudden, hutselen”. Hierbij wellicht ook ’t dial. ndl.-ndd. ww. hotten (sedert Kil.) “schiften (van melk)” met het znw. hot, reeds mnd. en Teuth. hotte “het dik van geronnen melk”. [Men heeft hierbij zuiddu. dial. jutte, jutt(e)n “hui” gebracht: onzeker. Voor de klanken vgl. event. joop.] Ofschoon du.-ndl. hott- “schudden” ook als een jonge onomatopoëtische basis kan worden opgevat, is ’t zeer aannemelijk, dat het van een ouden wortel komt. Men vergelijkt wel ksl. kydati “werpen”, waarbij eventueel gr. kūdazō “ik beschimp”, oi. kutsáyati “hij hoont”, códati “hij spoort aan” kunnen hooren; vgl. wetten en schieten. Van den auslautvariant idg. qut-, waarvan lit. kutù, kutė́ti “opschudden”, ags. hûdenian “excutere”, ndd. hûdern “rillen van de kou” komen, laat du.-ndl. hott-, germ. χutt- zich evengoed afleiden (idg. qut-n-). Zie over deze basis schudden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hotsen, slot v. h. art. Over germ. χutt- < idg. *qut-n- zie bakken Suppl. 1e alin.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hossen o.w., uit Hgd. hotzen: z. hotten.

hotsen o.w., uit Hgd. hotzen (waaruit Fr. hocher), dat hetz. woord is als hotten.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

hotsen (Duits hotzen)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Hutsen, hotsen is schokken, schudden om iets te vermengen, vandaar hutspot, hutsebus, een boerenhotskar. Hiertoe behoort onthutst: door een schokkende aandoening van zijn stuk gebracht, vgl. ontsteld, ontzet. Het frequ. is hutselen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hossen elkaar arm in arm vasthoudend dansen 1897 [WNT hotsen]

hotsen schokken 1612 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut