Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hort - in de uitdrukking de hort op zijn

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hort 2 zn. ‘weg’
Mnl. huert, hurt ‘weg’ in doen keerde die Vlaminc ... alse saen alsesi die huert waren ‘toen keerden de Vlamingen net zo snel terug als ze vertrokken waren’ [1315-35; MNW-R], misschien ook in daer es hi gemoet van menigen en gehurt dor goet. Men trectene hurt ende hout ‘daar werd hij door een menigte tegemoetgekomen en aangestoten om een zegening. Men trok hem heen en weer’ [1300-50; MNW-R]; nnl. de hort op ‘op de vlucht’ [1763; WNT], later NN ook eufemistisch voor ‘vertrokken, ervandoor’, meestal voor zijn plezier.
Herkomst onbekend. In de tweede vindplaats hierboven lijkt hurt de gebiedende wijs van hurten ‘stoten’ (naast houden ‘tegenhouden’); dan zou het oorspr. hetzelfde woord zijn als → hort 1 ‘stoot’. Het woord kan eventueel ook verband houden met de uitroep hort om een trekdier aan te zetten.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hort2* in de uitdrukking de hort op zijn [weg zijn] {1763} van middelnederlands huert, hurt, hort [weg!].

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

964. Op den hort zijn (of gaan),

d.w.z. er vandoor zijn of gaan; ook voor zijn pleizier er op uit zijn; hij is op den hort gegaan, d.i. aan den haal gegaan, bijv. met een vrouw. Dit hort (vgl. horten en stooten) zal wel hetzelfde woord zijn, dat voorkomt in het mnl. hort (huert) sijn, weg zijn, dat ook nog in de 17de eeuw wordt aangetroffen (Mnl. Wdb. III, 606 en Oudemans III, 166), waarnaast ook gebruikt werd hor zijn en hor (of horrie) gaan; vgl. Sewel, 346: Het touw is gebrooken, de vlieger is hor. Thans zegt men in de Zaanstreek nog hortekie wezen (Boekenoogen, 350). In de 18de eeuw in Boere-krakeel, 195: de hort opmoeten; bl. 208: de hort opgaen. Zie ook V. Schothorst, 145: hij is hurt of den hurt op; Landl. 12: Arremoedzaaiers die met de nachtboot de hort opmotte; bl. 31: Nou, toe is die meid dan de hort op geraakt; S.M. 40: Ze was toen al veertien dagen weg, maar niet op de hort. Syn. is op stok zijn of gaan (Indië) van een vrouw of een knecht gezegd; de jort op zijn (in A. Jodenh. II, 28); aan den bentel gaan, de runnik op gaan, aan de flort gaan, aan de gnart gaan (De Vries, 63).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal