Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

horst - (met struikgewas begroeide grond; roofvogelnest; verheven stuk bodem)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

horst zn. ‘met struikgewas begroeide grond; roofvogelnest; verheven stuk bodem’
Onl. in de veldnaam bochursti, letterlijk ‘Beukenhorst (bij Putten, Gelderland)’ [806; Künzel]; mnl. horst, hurst, bijv. in .i. stic lands dat men heet ter horst ‘een stuk land dat men Ter Horst noemt’ [1280; CG I, 488], after die horst ‘achter het bosje’ [ca. 1340; MNW]; vnnl. horst ‘roofvogelnest’ [1547; WNT], ook in toponiemen, bijv. Arnshorst letterlijk ‘arendsnest’, veldnaam bij Ommen (Overijssel)[1583; WNT]; nnl. alleen nog in toponiemen; in de geologie bovendien horst ‘verheven stuk aardkorst of bodem’ [1914; Koenen].
Os. horst (in plaatsnamen) (mnd. horst ‘klein bos’); ohd. hurst ‘struikgewas’ (nhd. Horst ‘roofvogelnest’); Oost-Fries hörst; oe. hurst, hyrst ‘beboste heuvel’ (ne. hurst ‘id., zandbank’); nno. dial. rust ‘struikgewas’; < pgm. *hursti-, hursta-. Wrsch. hetzelfde woord als hors ‘zandplaat’ in toponiemen op de Waddeneilanden (De Hors op Texel, Vliehors).
Verwant met: Lets cers ‘struik’; Proto-Slavisch *chvorst- ‘struikgewas’ (Kerkslavisch chvrastŭ, Russisch chvórost, Tsjechisch chrastí ‘id.’, Sloveens hrāst ‘id.’ naast hrást ‘eik’); Proto-Keltisch *kwresno- > *kwrenno- ‘bos, boom, mast’ (Oudiers crann, Gallisch prenne, Welsh prys; Bretons prenn); uit pie. *kwres-no, *kwrsn-to (IEW 633). Misschien ook verwant met Latijn crista ‘pluk veren’ (Spaans cresta, Frans crête, Engels crest). De niet-functionele ablaut (Germaans nultrap, Keltisch e of nultrap, Slavisch o), de beperkte geografische spreiding en het betekenisveld ‘terreingesteldheid’ wijzen volgens Hamp (1979) op herkomst uit een voor-Indo-Europese, wrsch. Centraal-Europese taal.
Gezien de betekenissen in andere talen is dit een woord met als oorspr. betekenis ‘struikgewas’ en daaruit, wellicht vooral in moerassig gebied, ‘hoger gelegen begroeide (zand)grond’. De betekenis ‘roofvogelnest’ dankt zijn ontstaan aan de gelijkenis van het nest met wild struikgewas en misschien ook de hoge ligging ervan. Deze betekenis lijkt in het Nederduitse spraakgebied te zijn ontstaan, en vandaaruit in het Nederlands en het Hoogduits te zijn overgenomen. De vakterm horst in de geologie is ook ontleend aan het Duits.
Lit.: E.P. Hamp (1979), ‘Horst and method’, in: Linguistic method: essays in honor of Herbert Penzl, 175-181; E. Hamp (1980), ‘Welsh prys’, in: Bulletin of the Board of Celtic Studies 29; M. Schönfeld (1980), Veldnamen in Nederland, Arnhem, 33

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

horst* [ruig begroeide terreinverhoging, roofvogelnest] {in de boerderijnaam Bochursti, nu Bokhorst (Gld.) <806>, horst, hurst [kreupelhout, bosje] 1340; als ‘roofvogelnest’ 1547} oudsaksisch, oudhoogduits hurst [kreupelhout], middelengels hurst [heuvel, bosje] (engels hurst), ablautend oudsaksisch harst [vlechtwerk] → hor1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

horst znw. m. ‘nest van een roofvogel’ (reeds 1547 vermeld); hetzelfde woord is horst ‘stuk hogere zandgrond, vaak met laag hout begroeid’ (vooral in plaatsnamen vaak voorkomend), mnl. horst, hurst ‘kreupelhout, bosje’, os. hurst, ohd. hurst ‘kreupelhout’ (reeds mhd. ook ‘roofvogelnest’), me. hurst ‘heuvel, bosje’ (ne. hurst). Daarnaast abl. os. harst m. ‘vlechtwerk’, mnd. harst ‘takken, bosje’. — Indien uit een idg. *kert-s-to, dan afgeleid van de wt. *kert ‘winden, draaien’ (waarvoor zie: hor).

In dit geval moet men uitgaan van een bet. ‘laag struikgewas met dooreen gevlochten takken’ en de bet. ‘hoger gelegen gebied in een moerasstreek’, is dan daaruit afgeleid, omdat dit door zijn begroeiing met struikgewas afstak. De bet. ‘roofvogelnest’ zou men van de bet. ‘vlechten’ rechtstreeks kunnen afleiden; maar eerder is het ruig van takken samengesteld nest met struikgewas vergeleken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

horst (nest van een roofvogel), reeds in 1547 horst m. Wellicht identisch of verwant met ndl. dial. horst “stuk hooge grond, eventueel met laag hout begroeid” (en andere dgl. bett.), vooral in plaats- en familienamen voorkomend, mnl. horst, hurst v. “kreupelhout, bosschage” = ohd. hurst v. “id.” (NB. nhd. horst m. “roofvogelnest”, reeds laat-mhd. hurst m.), os. hurst “id.”, meng. hurst “heuvel, bosschage” (eng. hurst). Vgl. ook ohd. hursti “cristas”. Wellicht verwant met de bij hor besproken woorden: *χursti- uit idg. *qer-s-ti- of *qeri-s-ti-. Bij deze etymologie laat zich de bet. van horst “roofvogelnest” direct uit “vlechtwerk” afleiden. De combinatie van germ. *χursti- met lat. creo enz. (zie gierst) is onwsch. Eer nog zou *χursti- met ksl. srŭstĭ “haar” identisch kunnen zijn, waarbij nog srŭchŭkŭ, lit. szurksztus “ruw” e. a. woorden zich aansluiten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

horst. Ksl. srĭstĭ (oudere vorm voor srŭstĭ) ‘wol’, srĭchŭkŭ, lit. šiurkštùs ‘ruw’ wellicht beter met ohd. hursti ‘cristas’ van de overige woorden te scheiden: vgl. haar I Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

horst v. (hooge zandgrond met kreupelhout, struikgewas, roofvogelnest), Mnl. horst, Os. hurst + Ohd. id. = kreupelhout (Nhd. horst = roofvogelnest), Meng. hurst (Eng. id.) = bosschage: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

hort 2, zn.: horst, verhevenheid in het land. Door t-elisie uit horst, in plaatsnamen en de familienaam Van der Horst.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

horst, hurst, zn.: struik, laag gewas; stuk hoge heigrond. Mnl. horst, hurst ‘struikgewas, kreupelhout, begroeide hoogte; roofvogelnest’, Vnnl. horscht, horst ‘struikgewas’ (Kiliaan). Os. horst, Mnd. horst ‘klein bos’, Ohd. hurst ‘struikgewas’, D. Horst ‘roofvogelnest’, Oe. hurst, hyrst ‘beboste heuvel’ < Germ. *hursti, hursta- < Idg. *kṷres-, *kṷers, *kurs- ‘boom, kreupelhout’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

hurste (R), zn. v.: glooiing, talud. Mnl. horst, hurst 'struikgewas, begroeide hoogte', Vnnl. horscht, horst 'struikgewas' (Kiliaan). Ohd. hurst, Mhd. hurst, hürste 'struikgewas', Mnd. horst, hurst, Ndd. horst, hö(r)st, Os. hurst 'kreupelhout', Oe. hyrst, Me. hurst 'heuvel, bosje', E. hurst 'beboste hoogte'. Ablautend Os. harst 'vlechtwerk', Mnd. harst 'takken'. Verwant met hor, horde, met Kerkslavisch chvrastije, Russisch chvórost 'rijshout'. Idg. *kures-, *kurs- 'boom, struikgewas'.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

hurst, hust, horst roofvogelnest, struik, met laag gewas begroeid bos (Verschillende dialecten). = hgd. horst ‘roofvogelnest, struikgewas’, eng. hurst ‘bos op een heuvel’. Ablautend ~ os. harst ‘vlechtwerk’, mndd. harst ‘takken’, ~ tsjech. krs ‘dwergboom’, ~ Lets cers ‘struik’. Wschl. verder ~ hor, hord ↑ ‘kippenroest’.
Cornelissen/Vervliet 577, EW 175.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

horst 'begroeide hoogte'
Het toponymisch grondwoord onl. hurst, horst 'begroeide hoogte', ohd. os. hurst 'struikgewas, kreupelhout', mnd. horst, oe. hyrst, herst, me. hurst 'heuvel, bosschage'. De oorspronkelijke betekenis is 'struikgewas', met betekenisontwikkeling tot 'begroeide hoogte'. Namen op horst verschijnen pas na de vroege middeleeuwen voor een iets hoger gelegen stuk laagland met typerende begroeiing, in Oost-Nederland en Vlaanderen ook voor hardere stukken grond in drassig terrein. De ontronde vorm heerst komt voor in Vlaanderen voor een door het landschap lopende zandige rug (1465 landweg gheheeten de zantheerst). Bij samengestelde namen met horst als grondwoord is het eerste deel regelmatig een plant- of boomnaam (→ Bokhorst2, → Hulshorst, →Linthorst, →Netelhorst, → IJhorst) of een aanduiding van het terrein, naar de bodemgesteldheid (→ †Zandhorst), verheffing (→ Staphorst), de lange of brede vorm, of de kleur (→ Bruinhorst). Zelden is het eerste deel een persoons- of geslachtsnaam. In de late middeleeuwen komt het toponiem in zwang voor namen van herenhuizen, waarbij horst, mogelijk onder invloed van kasteelnamen in Duitsland, geassocieerd lijkt te zijn met horst 'nest van een roofvogel', vergelijk → Arendshorst en → Valkenhorst.
Oudste attestaties in plaatsnamen: 806 kopie 10e eeuw Bochursti (→ Bokhorst2), laat in 10e eeuw in Binkhorst (→ Binkhorst)1, 1050 vervalst kopie 14e eeuw Hohurst (→ Hohorst)2, 1128-1139 Brunchorst (→ Bronkhorst1)3, idem Bernhard de Buchorst (→ Bukhorst)4.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 90, 2Idem 183, 3Idem 101, 4Idem 104.

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

horst 1. (hoog en ruig) nest van grote Vogels, vooral Roofvogels (sinds 1547 vermeld); 2. (oorspr. betekenis) stuk hogere (zand)grond, al of niet met laag hout begroeid of erdoor omgeven. [vD 1970] VK (c.1618): “HORSCHT, HORST ... senticetum, ager hispidus, [ager] fruticosus”, m.a.w. hier is de ruige begroeiing essentieel (Lat senticetum ‘doornbos’). Het woord heeft in het zuidN ook de betekenis van ‘hellende berm langs een vaart’, ws. wegens de begroeiing van de berm met lage bosjes ofwel kreupelhout (etymologie sub Boomkruiper). De geografische term horst houdt wellicht verband met het (secundaire) aspect van het ‘hoger liggen, gerezen zijn’.
ETYMOLOGIE N horst horscht, horst (zie boven) horst, hurst ‘kreupelhout, bosje’; oudsaksisch hurst; D Horst hurst (hier al de betekenis Roofvogelnest) hurst ‘bosschage’; E (dial.) hurst ‘heuveltje, bosje’ hurst hyrst; oudnoords hjrôstr ‘ruige, onvruchtbare grond’; idg *kert- ‘vlechten’; vandaar verwante woorden als hor(de) ‘gevlochten mat als insectenwering’ en horde (E hurdle, D Hürde) ‘(verplaatsbare) gevlochten mat als veewering, hindernis, inz. in de sport’. Gr kúrtos ‘visfuik’. Lat cratis ‘horde’.
Het woord horst komt in N veel als plaatsnaam voor. Horst als plaatsnaam vinden we in 7 van de 12 provincies. Hulshorst (Gld) ontleent zijn naam aan het begroeid (geweest) zijn met Hulst Ilex van de ter plaatse aanwezige horst [De Vries 1962]. In Noordwest-Overijssel vinden we Grafhorst, Staphorst en Lankhorst. Evenzo kent men in Engeland veel plaatsnamen met -hurst en in Duitsland met -horst.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

horst ‘stuk hogere, begroeide grond; roofvogelnest’ -> Frans dialect houche ‘haag van grote bomen die een boerderij tegen de wind beschermt; geheel van takken, vlas, haren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

horst* roofvogelnest 1547 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal