Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hopen - (iets positiefs verwachten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

hopen ww. ‘iets positiefs verwachten’
Onl. hōpon ‘streven naar, begeren’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. hopen ‘hopen’ [1240; Bern.].
Mnd. hopen; ofri. hopia; oe. hopian (ne. hope). Aan het mnd. ontleend zijn: mhd., nhd. hoffen vóór de mnd. rekking in open lettergreep, en met aanpassing van de -p- aan het Hoogduitse klanksysteem; nzw. hoppas, nde. håbe. Daarnaast de zn.: mnd. hōpe (> mhd. hoffe, nzw. hopp, nde. håb); ofri. hope; oe. hopa (ne. hope).
De verdere herkomst is onduidelijk. Van bovengenoemde werkwoorden zijn de Nederlandse en Engelse [971; OED] het oudst. Men meent dan ook wel dat de woorden hoop en hopen met de Angelsaksische missie op het vasteland zijn ingevoerd (De Grauwe 1979), waarbij een ouder woord pgm. *wēn- ‘hoop, verwachting’, zie → waan, werd vervangen. De oorspr. betekenis zou ‘verlangen, begeren’ zijn en er zou verwantschap bestaan met Latijn cupere ‘verlangen’ en Grieks kúpris ‘liefde’; de onverschoven p is dan echter problematisch. Sanders (1986) denkt daarentegen aan een oud noordwestelijk woord dat oorspr. ongeveer ‘opspringen (van schrik of uit nieuwsgierigheid)’ betekende. Hij verwijst daarbij naar os. ec hopada ‘ik vreesde’, wat echter een volkomen geïsoleerde en bovendien onzekere attestatie is (Wadstein 1899: 56), en naar Duits verhoffen ‘opschrikken’, een jachtterm. Indien deze laatste theorie juist is, behoort het woord als pgm. *hup- bij de wortel van → huppelen.
hoop 2 zn. ‘verwachting, het hopen, het verlangen’. Onl. tohopa min ‘mijn verwachting, toevlucht, hoop (gezegd van God)’ (met een voorvoegsel toe-) [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. hope ‘verwachting, vertrouwen’, bijv. in dor dehope dat ‘in de hoop dat’ [1236; CG I, 23]. Wrsch. afleiding van het werkwoord, maar de omgekeerde relatie is ook mogelijk.
Lit.: De Grauwe 1979, 19-26; W. Sanders (1986) ‘Hoffnung’, in: H.L. Cox e.a. (red.) Wortes Anst, verbi gratia: donum natalicium Gilbert A.R. De Smet, Leuven, 411-417

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hopen* [wensen, verwachten] {1201-1250} middelnederduits hōpen, middelhoogduits hoffen, oudfries hopia, oudengels hopian, verwant met hoppen; de oorspr. betekenis is ‘opspringen van verwachting’ → huppen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hopen ww., mnl. hōpen, onfrank. hopada ‘timui’, mnd. hōpen, mhd. hoffen, ofri. hopia, oe. hopian (uit het mnd. zijn laat-on. hopast, nzw. hoppas, nde. haabe). — Afl. van hoop 2. — Men heeft gedacht aan de mogelijkheid, dat oe. hopian als term der angelsaksische missie op het vasteland ingevoerd werd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hoop II (verwachting), mnl. hōpe m. v. = mnd. hōpe (naast hōpen, -ene, -ende) m. v. “hoop”; samengesteld: onfr. to-hopa o. “hoop”. Hierbij ’t ww. hopen, mnl. hōpen, mhd. (nhd.) hoffen (uit het Ndd. door het Md. geleidelijk naar ’t Zuiden doorgedrongen), mnd. hōpen (of os. hopon voorkomt, is onzeker; uit ’t Ndd. laat-on. hopast, de. haabe, zw. hoppas, waarbij ’t znw. laat-on. hop o., de. haab, zw. hopp “hoop”), ags. hopian (eng. to hope) “hopen”. Oorsprong onzeker. Een combinatie met qub- “buigen” (zie heup en hoop I.), waarbij wij voor hoop van een grond-bet. “het zich neigen tot” moeten uitgaan, is mogelijk, vooral als de samenst. met tō̆ ouder is dan ’t niet samengestelde woord, maar onzeker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hope (ww.) hopen; Aajdnederlands hopon <901-1000>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hopen ‘wensen, verwachten’ -> Deens håbe ‘wensen, verwachten’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors håpe ‘wensen, verwachten’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds hoppas ‘wensen, verwachten’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands hoop ‘wensen, verwachten’; Sranantongo howpu, hopu ‘wensen, verwachten’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hopen* wensen, verwachten 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal