Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hop - (Humulus lupulus)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hop 1 zn. ‘klimplant die geteeld wordt voor de bierbereiding (Humulus lupulus); vruchtkegels van die plant’
Mnl. hoppe ‘vruchtkegel van zekere klimplant’ in van ene zacke hoppen vier Hollands ‘voor een zak hop vier Hollandse groot (munteenheid)’ [1347; Van der Laan 1975]. Al eerder als beroepsnaam van Albert Hoppe [1260; Debrabandere 2003], die dan wrsch. hopteler, hophandelaar of brouwer was. Ook al vroeg de toenaam van Hannin de hopnere [1292; CG I, 1638], wrsch. ‘hoppenaar’, een afleiding van hoppe.
Oorspr. alleen continentaal West-Germaans: os. -hoppo in feldhoppe ‘hop’ (mnd. hoppe); ohd. hopho (ph = /pf/; mhd. hopfe, nhd. Hopfen). Me. hoppe (ne. hop) is een ontlening aan mnl. hoppe; de hopplant werd in de 15e of 16e eeuw vanuit Vlaanderen in Engeland ingevoerd. Eveneens aan het Germaans ontleend is middeleeuws Latijn hupa ‘hop’.
De verdere herkomst is onzeker. Men neemt meestal verwantschap met → hoop 1 ‘stapel’ aan, maar de precieze formele relaties zijn onduidelijk. Vormovereenkomst is er binnen de met hoop verwante woorden met oe. hoppe ‘huls, bel’ (me. hoppe ‘zaaddoos van vlas’). Als de verwantschap met deze woorden klopt, is de plant genoemd naar de vrouwelijke kegelvormige bloemgroepen van de hopplant, die als bestanddeel bij het bierbrouwen worden gebruikt. Ook Oost-Vlaams hoppe ‘graspol’ en Zwitsers-Duits huppi ‘kogelvormig uitgroeisel’ worden in dit verband wel genoemd.
Een andere, en binnen de Europese talen wijder verbreide maar binnen het Nederlandse taalgebied nu alleen nog gewestelijke naam voor deze plant is hommel (Oudengels hymele, etc.), dat misschien een oud leenwoord is uit de Fins-Oegrische taalfamilie.
Lit.: P.H.J. van der Laan (1975), Oorkondenboek van Amsterdam, Amsterdam, nr. 88 en 89

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hop2*, hoppe [klimplant] {hoplant [land waar hop wordt verbouwd] 1376-1400} oudsaksisch hoppo, oudhoogduits hopfo, middelengels hoppe; voor de oorspr. betekenis vgl. frans houppe [boomtop, kuif, haarbundeltje, kwastje], uit het germ. De hop is genoemd naar de bloeiwijze.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hop 2 znw. v. plantnaam ‘humulus lupulus’, mnl. hoppe v. ‘hop, uit hop gebrouwen bier’, os. hoppo m., ohd. hopfo m. (nhd. hopfen), me. hoppe (ne. hop). Uit het germ. > mlat. hupa. — Er is ook een woord me. hoppe ‘zaadhuls van het vlas’, vgl. oe. hoppe ‘huls, bulla’; de plant zou dus genoemd kunnen zijn naar de bloeiwijze. — Dan behoort het tot de groep van hoop 1 en heup. — Voor een andere naam van de plant zie: hommel 2.

Bense 146 beschouwt het eerst ± 1440 optredende me. hoppe, ne. hop als een ontlening aan het nl.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hop II (plant), mnl. hoppe v. “hop, uit hop gebrouwen bier”. = ohd. hopfo (nhd. hopfen) m., os. hoppo (in fëldhoppo “bradigabo”) m., meng. hoppe (eng. hop), namen voor “hop” en er op lijkende planten. Uit ’t Germ. mlat. hupa “hop”. Misschien verwant met hoop I: de oorspr. bet. zou dan zijn “kluitje”, en deze benaming kan zijn toegepast op de kegelvormige bloemgroepen van de vrouwelijke hop-plant. Ook heeft men ozw. hjupon, ohd. hiufo, os. hiopo, ags. hêopa m. “doornstruik” vergeleken, dat veeleer met opr. kaāubri “doorn” verwant is en van ouds “doorn(struik)” heeft beteekend (vgl. joop). De combinatie met den anderen germ. hop-naam, vla. (reeds als zoodanig bij Kil. opgegeven) hommel, ags. hymele v., laat-on. humli m. — uit ’t Germ. mlat. humlo, humulus, fr. houblon — is niet goed mogelijk. Deze is niet te scheiden van slav. en finsch-oegrische hopnamen (russ. chmelʹ, wogulisch qumleh enz.). Men neemt gew. ontl. uit ’t Finsch-Oegrisch aan: de finsch-oegrische stammen hebben ’t eerst de hop voor bier gebruikt; in de periode van de volksverhuizing moet het woord zich dan over Europa verbreid hebben. In een schenkingsbrief van Pepijn den Korten (± 760) komt reeds humlonariae “hopvelden” voor.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hop II (plant), wordt ook wel — onzeker— met schoof gecombineerd: de plant zou naar de kwastvormige bloeiwijze zijn genoemd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hop 1 m. (plant), Mnl. hoppe, Os. hoppo + Ohd. hopfo (Mhd. hopfe, Nhd. hopfen), Meng. hoppe (Eng. hop), wellicht met de bet. kwast bij hoop 1, waarbij ook dial. Hgd. huppe (hieruit Fr. houppe) = kwast. Mlat. hupa = hop, uit Germ.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

hop I: pln. (Humulus lupulus, fam. Moraceae) by WAT (s.v. hop1); Ndl. hop (Mnl. hoppe) wu. Eng. hop, Hd. hopfen (wsk. ouer as Eng.); uit Germ. in Ll. hupa, mntl. v. Fin.-Oeg. herk.

Thematische woordenboeken

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Hop, Humulus lupulus
Humulus: men veronderstelt dat de naam uit het Duits is ontstaan en wel van humel.
Lupulus: komt van lupus = wolf, omdat de plant zich om wilgen, elzen en hakhout slingert en deze als het ware als een wolf wurgt.
Hop: volgens Van Dale wordt bij de verklaring van het woord ‘hop’ een verband gelegd met het Middelnederlandse woord ‘hoppe’ voor de vrucht van het vlas.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Húmulus | Húmulus lúpulus: Hop
De afleiding van de wetenschappelijke geslachtsnaam is nog allerminst zeker. We moeten het waarschijnlijk niet bij de Ouden zoeken, want zij schijnen de Hop niet te hebben gekend, hoewel Plinius spreekt van Lupulus salictarius (zie hieronder). Men veronderstelt dat de naam uit het Duits of Germaans is ontstaan en wel van humel of humela. Anderen menen dat de naam afkomstig is van humus: bodem, of humure: vochtig zijn, vanwege het groeien op vochtige plaatsen. Ook meent men dat de middeleeuwse naam van hümulus ontstaan zou kunnen zijn uit het Slavische chmeli, dat hop beduidt.
De naam Hop, in het Duits Hopfen, is afkomstig van het Oudduitse woord hopfo; zo neemt men aan. Bij Hildegard von Bingen (ca. 1150) treffen we de naam hoppho aan. Bij latere middeleeuwse Duitse schrijvers heet de plant Hoppen, zoals we bij Albertus Magnus (ca. 1250) kunnen lezen. De naam Hoppe schijnt van Germaanse oorsprong te zijn. Men wil het afleiden van het Duitse heben: opheffen, omdat de plant zich met haar windende stengel in de hoogte verheft. De naam Hupa bij Heukels, zonder enige nadere aanduiding, zal wel een verlatijnste naam zijn, want in het Middelnederlands treffen we huppe aan als naam voor de hop.
De soortnaam lupulus (verkleinwoord) komt van lupus: wolf, omdat de plant zich om wilgen, elzen en hakhout slingert en deze als het ware als een wolf wurgt. Dan wordt ons de naam bij Plinius ook duidelijk, namelijk Lupus salictarius: Wilgewolf, als tenminste met deze naam de hop werd bedoeld.
Hoewel het een Europese plant is van de gematigde zone, is zij volgens een Engels gezegde aldaar geen inheemse plant, want de hop werd pas onder Hendrik viii uit Vlaanderen of Nederland in Engeland ingevoerd. Het gezegde waarop we doelden luidt:
Hops and turkeys, mackerel and beer,
Came to England all in one year.
Een variant daarop luidt:
‘Hops, reformation, bays and beer,
Came to England all in one year.’
Reeds zeer vroeg moeten de hopbellen - dat zijn de tot vrucht gekomen vrouwelijke bloeiwijzen - bij het bereiden van bier gebruikt zijn. De hop geeft aan het bier een bittere smaak, maar maakt het ook houdbaarder, want het verhindert de ontwikkeling van de melkzuurbacteriën. Het valt echter op dat een drank die zulk een grote plaats onder de toenmalige bevolking innam, niet was opgenomen in de Capitulare de villis van 795 en andere geschriften van die tijd. Want in een aan de abdij van Sint Denis gerichte schenkingsbrief van Pepijn de Korte anno 786 is reeds sprake van een hopkwekerij (humlonaria).
Zo wordt in een oorkonde van de negende eeuw van het klooster Freisinger bij Meichelbech eveneens van een hopkwekerij gewag gemaakt. Via de kloosters werd de hop meer en meer aan het bier toegevoegd, in plaats van andere bitter smakende stoffen zoals eikeschors en de Gagel (Mýrica gále). Bij Hildegard von Bingen (ca. 1150) vinden we voor het eerst een schriftelijke mededeling dat deze plant bij het bier maken aangewend wordt. De bitter smakende aromatische stof die de hopbellen bevat, wordt gevormd door kleine kliertjes die zich alleen in de vrouwelijke bloemen bevinden, onderaan de schutblaadjes. Dit is ook de reden waarom men alleen vrouwelijke planten kweekt.
In de geneeskunde werden de hopbellen en het zaad gebruikt als urineafdrijvend middel, ter versterking van de maag, ter bevordering van de maanstonden enzovoort. Een hoofdkussen gevuld met hopbellen werd vroeger voorgeschreven als slaapverwekkend middel bij nerveuze slapeloosheid. In de Nederlandse Farmacopee treft men Hopklieren - Glandulae Lupili - aan, hetgeen er op wijst dat de hop nog als geneeskruid te boek staat. Trouwens de laatste jaren is men bezig de stof - lupuline - die door de kliertjes afgescheiden wordt, nader te onderzoeken. In het voorjaar gebruikte men de hopscheuten of hopsprietjes, dat zijn de bottende stengels, als een soort asperge, ook in ons land. Reeds in 1563 schrijft P. A. Matthiolus: ‘Im Frueling lassen die Leckmuelen (lekkerbekken) die jungen Hopfenspargen zum Salat bereyten.’ Minder bekend is dat vroeger de jonge spruiten als een soort groente werden gekweekt. Slaat men oude huishoudboeken of recepten uit de achttiende en de negentiende eeuw op, dan vindt men daar nog vele recepten in opgenomen om de jonge spruiten klaar te maken. In Vlaanderen zijn heden ten dage nog enkele kwekerijen die deze hopspruiten - Hopkeesten genaamd - voor de consumptie kweken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hop ‘klimplant waarvan de vrouwelijke vruchtkegels gebruikt worden om aan het bier een bittere, aromatische smaak te geven’ -> Engels hop ‘klimplant waarvan de vrouwelijke vruchtkegels gebruikt worden om aan het bier een bittere, aromatische smaak te geven’; Frans houblon ‘klimplant waarvan de vrouwelijke vruchtkegels gebruikt worden om aan het bier een bittere, aromatische smaak te geven’; Bretons houbl ‘klimplant waarvan de vrouwelijke vruchtkegels gebruikt worden om aan het bier een bittere, aromatische smaak te geven’ ; Maltees ħops ‘klimplant waarvan de vrouwelijke vruchtkegels gebruikt worden om aan het bier een bittere, aromatische smaak te geven’ ; Japans hoppu ‘klimplant waarvan de vrouwelijke vruchtkegels gebruikt worden om aan het bier een bittere, aromatische smaak te geven’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hop* klimplant 1376-1400 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut