Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hop - (trekvogel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hop 2 zn. ‘vogel (geslacht Upupa)’
Mnl. hoepe ‘hop’ [1240; VMNW goepe], die iungen van den odeuare inde van der hupen ‘de jongen van de ooievaar en van de hop’ [1270-90; CG II, Moraalb.], hoppe ‘hop (Latijn upupa)’ [ca. 1300; Claes 1994a], ook weehop [1425; MNW], wedehoppen (mv.) [1437; MNW-P].
Hop is zoals vele vogelnamen wrsch. een klanknabootsing, en dan in het bijzonder van de mannetjesroep tijdens de paringstijd. Een ook wel geopperde mogelijkheid is dat hop verwant is met hoppen, huppen, zie → hop 3 en → huppelen. Deze verklaring kan echter alleen voor de Germaanse talen gelden, terwijl het woord duidelijk ouder is. Er is dus eerder sprake van volksetymologische aanpassing: de vogel staat weliswaar niet bekend om een springende manier van lopen, maar de kop maakt bij het lopen wel een schokkende beweging.
Bij mnl. we(d)ehop horen: os. widohoppa (mnd. wēdehoppe); ohd. wituhopha, -hoffa, -hoph(o) (nhd. Wiedehopf door volksetymologische associatie met Wiede ‘weide’); on. veidi-hoppa. Het eerste lid in deze samenstellingen lijkt pgm. *widu- ‘bos, boom, hout’, waarvoor zie → wielewaal. De hop is zeker geen typische bosvogel, dus dat element zal wrsch. slechts volksetymologisch aan *widu- zijn aangepast en eigenlijk een andere, zij het onbekende oorsprong hebben. Me. hoop (ne. hoopoe) uit Frans huppe.
Ook Latijn upupa (Oudfrans hupe, Nieuwfrans huppe door volksetymologische associatie met huppe ‘kuif’; daaruit ook Engels hoopoe); Grieks épops; Perzisch pupu; Lets pupukis; Pools (vero.) hupek; Armeens hopop; Arabisch hudhud; en vele dialectische namen voor deze vogel, ook in het Nederlands.
De hop staat bekend om zijn smerige nest, wat tot uitdrukkking komt in diverse dialectische naamvarianten, bijv. schijthop, schiethoepe, strontlijster, drekhaan, en in de uitdrukking stinken als een hop.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hop1* [trekvogel] {hupe 1270-1290, hoppe ca. 1300} middelnederduits hoppe, oudsaksisch widohoppa, oudhoogduits wituhopfo; evenals latijn upupa en grieks epops klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hop 1 znw. m. ‘vogelnaam’ (upupa epops), bij Kiliaen hoppe (misschien is laat-mnl. hoopte als vertaling van upupa ook te lezen als hoppe). — Eig. heet de vogel mnl. wedehoppe m., os. widohoppa v., mnd. wēdehoppe m., ohd. wituhopfo, wituhoffo m., wituhopfa v. (nhd. wiedehopf). — Het 1ste lid is mnd. wede, os. *widu, ‘woud’, ohd. witu, oe. wudu (ne. wood), on. viðr, waarnaast alleen oiers fid, vgl. gall. Vida- in PN. — Het 2de lid kan verband houden met huppelen, zodat de vogel dan als ‘bosspringer’ zou zijn aangeduid; het kan ook onder invloed van dit ww. uit lat. upupa gevormd zijn (Suolahti, Vogelnamen 1909, 11 vlgg.).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hop I (vogel). Kil. hoppe. Laat-mnl. komt eenmaal hoopte als vertaling van hupupa voor, misschien moet hiervoor *hoppe gelezen worden. Hoppe is geabstraheerd uit de samenst. mnl. wēdehoppe m. = ohd. wituhopfo, -hoffo m., -a v. (nhd. wiedehopf m.), os. widohoppa v., mnd. wedehoppe m. “hop”; ’t eerste lid is ohd. witu, os. *widu, mnd. wede, ags. wudu (eng. wood), on. viðr m. “bosch, boom, hout” = ier. fid “id.”, ’t tweede lid is met huppelen verwant, zoodat de oorspr. bet. is “bosch-, boomspringer”. Lat. upupa (> fr. huppe, of uit ’t Germ.?), gr. épops “hop” zijn klanknabootsingen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

hop I (vogel). In oostel. grensdiall. ook vormen met lange vocaal: Best. d’Am. hûpe, Teuth. huype, Achterh. schît-hûp(e), die bij dit onomatopoëtisch gevoelde woord (vgl. hoephup Venlo; hoepentoep Zovla.; Antw. hoep naast hop) niet behoeven te verwonderen. Vgl. Holmberg Best. d’Am. 56.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hop 2 m. (vogel), Mnl. hoppe, Hgd. (wiede)hopf: onomat. van zijn geluid, in verband gevoeld met hoppen, huppelen. De synon. Lat. upupa en Gr. épops zijn ook onomat. Fr. huppe uit Lat. upupa met Germ. invloed; Eng. hoopoe uit Fr.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Hûpe Officiële friese naam voor de Hop ↑ [Boersma 1972; Zantema 1992]. De Vries 1928 geeft Hûppe. De Vries 1911 geeft op geen friese naam voor de soort te kennen; wél vermeldt hij helgolandfries Leap (waarvoor zie sub Ljip).

Hop Upupa epops Linnaeus 1758. Vogel met een opvallend uiterlijk (heeft bijv. een opzetbare bonte kuif), en ook met een opvallende ‘advertising-call’ (= ‘zang’) van het : een driedelig, ritmisch “oepoepoe(p)” of “oe-oe-oe”. Het wekt daarom geen verwondering dat in veel talen de naam zeer onomatopoëtisch aandoet. Vgl. voor wetenschappelijke naam Coomans de Ruiter et al. 1947 en voor E Hoopoe (Huppe Upupa) Lockwood 1993; voor N volksnamen zie sub Boet-boet en Hoepentoep. Fries Hûpe ↑.
It Upupa, Sp Abubilla, portugees Poupa, catalaans Puput, roemeens Pupaza, R Удо́д Oedód, tsjechisch/pools Dudek. Het is daarom verrassend dat in de etymologie van de N en D namen de oorsprong van het element -hop wordt gegeven als afgeleid van het ww. huppelen (= sprongetjes maken) [FWH; NEW]. Mackensen 1985 en VT 2000 erkennen dat het ‘huppelen’ slechts volksetymologie is, en vDE 1993 stelt dat de naam louter “klanknabootsend gevormd” is. Suolahti 1909 ziet in D Wiedehopf ‘Hop’ niet alleen het tweede deel (-hopf) als primair onomatopoëtisch, maar óók het eerste deel; dit onder verwijzing naar D en oostenrijkse volksnamen als Wuddwudd, Wud-Wud en Wudhupf en Wudhup, waar in de laatstgenoemde de medeklinker- combinatie van Wiedhopf voorkomt. Een flinke steun voor deze opvatting is het gegeven dat de Hop niet echt een bosvogel (een vogel van het woud (ohd widu)) is.
BENOEMINGSGESCHIEDENIS Vroeg 1764 en Wegman 1765 spreken van de Hopvogel. NV 1789 en Schlegel 1828 (p.170) noemen de soort Hoppe. In het Dictionarium Tetraglotton (Antwerpen 1562): Hop [VT]. Voor de mnl namen zie etymologie; een andere mnl naam voor de soort is Linghenvoghel ↑.
ETYMOLOGIE N Hop (1562), Hoppe hoopte, hoptope, wedehoppe1, weehop (2e helft 14e eeuw), wedehop (1437) [VT] wido-hoppa; fries Hûpe; mnd Hoppe. D Wiedehopf Witehopf(e) witihopfa, wituhopfa, wituhopfo, wituhoffo. [Mnd wede *widu ‘woud’; ohd witu, widu ‘woud, hout’; oudengels widu, wudu (>E wood ‘woud, hout’); oudnoords vithr ‘boom’, oudiers fid ‘boom’, gallisch fiodh, welsh gwydd ‘bomen’. Zie ook Wedewale sub Wielewaal. D Wald ‘woud, bos’ heeft een andere etymologie (zie sub Woudduif).]
In het F is van de vogelnaam Huppe niet alleen F dupe ‘bedrogen(e), onnozel(e)’ (<duppe (1426)) (>N dupe) afgeleid, maar ook het bnw. huppé, dat in de betekenis van ‘gekuifd’ weerkeert in vogelnamen als Vanneau huppé ‘Kieviet’, Mésange huppée ‘Kuifmees’ etc. Er is echter ook F houppe (1. kwastje als versiering, 2. (oprichtbare) kuif van veren), in betekenis (2) synoniem met F huppe, dat dus op zijn beurt ook nog de andere betekenis heeft van ‘Hop’. Het is moeilijk voor te stellen dat houppe niets te maken zou hebben met de vogel die zo’n oprichtbare kuif van veren heeft! Voor de etymologie van houppe geeft Robert op: ‘toef, bosje’ [?> N huif, ?>D Haube.] Het lijkt er op dat de vogelnaam (hier) een zgn. pars-pro-toto is waarin met in feite een déél van de vogel, de ‘kuif’, de gehele vogel wordt bedoeld.

==

1 De mnl naam Wedehoppe is mogelijk de basis van de vogelnaam Woudaapje ↑. Hop en Woudaapje maken gelijksoortige geluiden, en deze spelen een voorname rol in de naamgeving van deze soorten. Dat zulke verschillende soorten als Hop en Woudaapje qua naam door elkaar gehaald worden, komt vaker voor. In het E werden Wielewaal en Groene Specht qua naamgeving door elkaar gehaald. Hetzelfde bij Hop en Kieviet, vanwege de gemeenschappelijke kuif. Lockwood citeert: “1481: The huppe or lapwynche (= Lapwing, Kieviet) is a byrd crested”. Zie hiervoor sub Ljip.

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

HOP – Upupa epops
Duits Wiedehopf
Engels Hoopoe
Frans Huppe fasciée
Fries Hupe
Betekenis wetenschappelijke naam: hop (onomatopee). De vogel heeft een door klanknabootsing gevormde naam. Toch wordt met de naam ook wel een ander verband gelegd. Het Franse ‘huppe’ bijvoorbeeld staat voor kuif en doelt daarmee op de sierlijke bos veren op de kop van de vogel. Ook de Duitse naam Wedehoppe, een naam die we terugvinden in de volksnaam Weehop (Dr), heeft een andere betekenis n.l. die van ‘boshuppelaar’. Deze naam zou verband houden met de manier waarop de vogel vaak op een bepaald stukje van de bosbodem rondhuppelt om daarmee insecten uit de grond naar boven te lokken. Later is de Duitse naam verbasterd waardoor ‘weidehop’ ontstond. Er zijn verschillende gewestelijke varianten op de naam Hop zoals Hoepe (Twe), Hoep (Lb), Hoopoe, Hoppe (Fr), Hûppe (Fr), Hoephap (Lb), Hoephak (Wee) en Boet-boet (Lb). In Vlaanderen kent men hem onder de naam Hoepentoep. Een bekende zegswijze luidt: ‘stinken als een hop’. Dit gezegde doet de soort bepaald geen eer aan maar is wel zeer van toepassing. Het in holten gebouwde nest verspreidt doorgaans een onaangename lucht. Deze stank wordt veroorzaakt doordat het nest nooit schoongemaakt wordt. Dit, gepaard aan de manier van zelfverdediging van de jonge vogels, namelijk om zich in de richting van waar het gevaar dreigde te ontlasten, betekent dat het nest zeer vuil wordt. Bovendien is gebleken dat het wijfje met haar stuitklier een sterk ruikend vocht afscheidt. Zeker is dat de sterke lucht mogelijke indringers op afstand van het nest houdt. Een groot aantal streeknamen in relatie hiermee laat aan duidelijkheid niet te raden over. Zo spreekt men in Gelderland van Schiithoep of Schithoppe en elders van Schijthop (NB), Schiethoepe (Ach), Drekhoppe (Ach), Stjonker (Ter), Strontlyster (Ter), Schytlyster (Ter), Poeperd (Wee), Strontpikker (Ov) en Vuilhop (ONB). Ook Poeferke (Vla) en de volksnaam Kothoep (Lb) (kot = vies nest) hoort in deze reeks thuis. Mede in verband met het door de grote kuif wat ‘hanige’ uiterlijk kreeg hij de namen Drekhaan (Gr), Stronthaan (Gr), Stinkhaan (NB) en Slijkhaan. Waarschijnlijk is hij Vlaszaaier (NB) genoemd omdat ook vlaszaad een onaangename reuk verspreidt. In het Middelnederlands komt de volksnaam Linghinvogel voor. Deze naam is afgeleid van linghine dat vuiligheid of drek betekent. De Hop is een doortrekker en arriveert doorgaans enkele weken voordat de Koekoek terugkeert van zijn winterver blijf. Met zijn enigzins op ‘koekoek’ gelijkende roep kondigt hij a.h.w. de komst van die vogel aan. Men noemt hem om die redenen dan ook wel Koekoekslakei en Koekoeksknecht. Ten slotte een streeknaam die weer een andere kant van de vogel laat zien n.l. Bonenpoter (Ach). Deze naam, ook wel als Boonnpoter geschreven, dankt hij aan de wijze waarop hij bij het voedselzoeken met zijn snavel in de bodem prikt, zoals de boeren dat eertijds bij het bonen poten met een stokje deden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

hoep-hoep s.nw.
Dofrooi, rondvlerkige, inseketende voël met 'n lang, dun, krom snawel en 'n verekam wat willekeurig kan regop staan.
Wsk. klanknabootsing van die geluid wat die voël maak, of minder wsk. reduplikasie van Ndl. hop (Mnl. hoppe), so genoem n.a.v. die voël se hopperige bewegings.
Vgl. Eng. hoopoe (1668), Fr. huppe.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

hoep-hoep: – (hoep-)hoepoe/hoepoeloo – , daarby ook ander name vir dié voël (Upupa africana, fam. Upupidae); Ndl. (gew. net) hop; Eng. hoopoe uit Fr. huppe via Ll. uit Lat. upupa, Gr. epops/epōpa, wsk. kn.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hop* scharrelaarachtige 1270-1290 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut