Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hoop - (stapel, massa)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hoop 1 zn. ‘stapel; grote hoeveelheid’
Onl. eerst al in het afgeleide werkwoord hopon ‘opstapelen’ [10e eeuw; W.Ps.], dan ook houph ‘stapel’ [ca. 1100; Will.]; mnl. te hope ‘tezamen’ in die teilden sie te hope ‘die deelden ze samen’ [1201-25; CG II, Floyr.], hoep ‘stapel, hoop’ [1240; Bern.], hoop ‘groep, troep’ in die vogle alle quamen ouer eenen hop te samen ‘de vogels kwamen alle in een groep tezamen’ [1285; CG II, Rijmb.], vp hem eenen groten hoep stene ‘bovenop hem een grote hoop stenen’ [1285; CG II, Rijmb.]; vnnl. ook meer algemeen ‘een grote hoeveelheid’, bijv. in eenen hoop ... grielpenningen [1642; WNT], een hoope geld [1691; WNT].
Os. hōp; ohd. houf (mhd. houf); oe. hēap (ne. heap); alle ‘stapel, hoop’; < pgm. *haup-; daarnaast ablautend mnd. hūpe en ohd. hūfo (mhd. hūfe, nhd. Haufen); < pgm. *hūp-.
Het woord heeft twee ablautende Germaanse varianten. Men voert ze gewoonlijk terug op de wortel pie. *keub-, *kūb- ‘kromming’ zoals in heup. Qua betekenis lijken de bij → heuvel genoemde niet-Germaanse woorden (< pie. *k(o)up-) echter veel beter te passen. Als al deze woorden met elkaar verwant zijn, kunnen de formele verschillen niet vanuit het Proto-Indo-Europees worden verklaard en moet aan herkomst uit een voor-Indo-Europese taal gedacht worden. Zie daarvoor verder bij → heup.
Lit.: Beekes 1996, 223-227

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hoop1* [stapel, massa] {1283} oudsaksisch hōp, oudhoogduits houf, oudfries hāp, oudengels heap, oudnoors hōpr; buiten het germ. oudkerkslavisch kupŭ (russisch kupa), litouws kaupas [hoop], latijn -cumbere [gaan liggen]; verwant met heuvel en heup.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hoop 1 znw. m. ‘stapel’, mnl. hoop, onfrank. *hōp (waarvan hōpon ‘copulari’?) os. hōp, ohd. houf, ofri. hāp, oe. hēap (ne. heap) ‘hoop, troep’ < germ. *haupa-. Daarnaast *hūpa- in mnd. hūpe, ohd. hūfo, mhd. hūfe (nhd. haufen). — Het woord behoort tot de idg. wt. *keub, waarvoor zie: heup (IEW 590); zie verder ook: hok.

Mnl. hoop > fra. houppe ‘kuif, brede boomkruin’ (sedert de 15de eeuw) is mogelijk volgens Valkhoff 173.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hoop I (stapel), mnl. hoop m. = onfr. *hôp (waarvan hôpon Psalm 93, 21, wsch. als vertaling van lat. copulari en niet van captare op te vatten), ohd. houf, os. hôp (uit ’t Mnd. on. hôpr), ofri. hâp, ags. hêap (eng. heap) m. “hoop, troep”. Met ablaut ohd. hûfo m. (nhd. haufe), mnd. hûpe “id.”. Formeel kan *χaupa-, *χûpan- van de bij heup besproken basis qub- “buigen” komen en de bet. is geen bezwaar, — hoewel deze meer in overeenstemming is met die van obg. kupŭ, lit. kaũpas “hoop”, lett. kůps, kůpa “id.”, die misschien evenals lit. kuprà “bochel” van de idg. basis qup- “buigen” (zie heuvel) komen (zie echter bij schoof). Men brengt hier nog av. kaofa- “bergrug, bult van een kameel” bij. Met deze woorden laat zich hoop alleen dan direct combineeren, als wij de p uit idg. -pn- afleiden. Veeleer echter gaan hoop en lit. kaũpas enz. op de parallelwortels qub- resp. qup- terug en hebben zij een parallelle bet.-ontwikkeling gehad.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hoop 1 m. (stapel), Mnl. id., Onfra. en Os. hôp + Ohd. houf, Ags. héap (Eng. id.), Ofri. háp, On. hópr (Zw. hop, De. hob) + Lat. cumbere, cubare = liggen, Osl. kupŭ, Lit. kaũpas = hoop; verwant met heuvel. Nhd. haufe is Mhd. hûfe, Ohd. hûfo en staat dus in ablaut.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

houp (zn.) stapel; Vreugmiddelnederlands houph <1100>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

hoop I: “hoeveelheid, stapel” (WAT s.v. hoop1); Ndl. hoop (Mn1. hoop), Eng. heap, en abl. verb. m. Hd. haufe; vermeende verw. hoërop betwisbaar.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hoop ‘stapel (dingen), massa (mensen of dieren)’ -> Schots † hope ‘stapel; een heleboel (van goederen te koop)’; Deens hob, hoben ‘stapel (dingen), massa (mensen)’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors hop ‘stapel, massa’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds hop ‘stapel (dingen)’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans houppe ‘bolletje van draadjes wol, zijde, meestal als decoratie; toef (kuif)’; Negerhollands hoop, hōp, hoopje ‘stapel (dingen), massa (mensen of dingen)’; Papiaments hoopi ‘veel, stapel, massa’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hoop* stapel (dingen), massa (mensen of dieren) 1283 [CG I1, 732]

hoop* uitwerpselen 1605 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1744. Overhoop (liggen, halen),

d.w.z. in de war, dooreen, door elkander liggen, - halen, - staanDit laatste te Brussel; zie Leopold I, 40.; ook: onaangenaamheden hebben. Eigenlijk beteekent overhoop de eene hoop op den anderen en bewaart over in deze samenstelling nog de oude beteekenis van op, die in de middeleeuwen zeer gewoon was in: over sine knien (vallen); over side, over rugghe ligghen, over hande ende voete gaen; over sine voete staen; over ende staen, overeind staan, staan op zijn eene uiteinde, rechtop staan, enz.; zie Mnl. Wdb. V, 2088; 2178. Zie verder Kiliaen: Overhoop, acervatim, cumultatim, en voor zeer vele plaatsen uit de 17de eeuw Oudemans V, 508-509; Ndl. Wdb. XI, 1763 en De Jager, Lat. Versch. 316; voor Zuid-Nederland vgl. De Bo, 441; Schuermans, Bijv. 127: hoop, over(s)hoop, hoop over hoops, fr. pêle-mêle, sens dessus dessous: 't ligt in zijn kamer alles hoop overs hoop; in Loquela, 374: oversoop; Waasch Idiot. 292: hoop over hul, hoop over end. Vgl. ook: met iemand overhoop liggen, met iemand in oneenigheid zijn, hetzelfde als het Westvl. in stukken (stokken) met iemand liggen (Leopold I, 9 en De Bo, 1105 a). In het fri.: hja lizze mei elkoar oerdwêrs; hd. mit jem. überworfen sein. Hier kan gedacht worden aan twee worstelende personen, waarvan de een boven op den ander ligt; vgl. mnl. nederliggen met enen, het met iemand oneens zijn, met hem in onmin zijn.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut