Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hooi - (gedroogd gras)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hooi zn. ‘gedroogd gras’
Onl. houwe ‘hooi’ [10e eeuw; W.Ps.], met Noordzee-Germaanse klinker in de samenstelling haymanoth ‘hooimaand, juli’ [ca. 1050; CG II-1,122]; mnl. hoj ‘gedroogd gras’ [1240; Bern.], ook ‘gras dat gemaaid moet worden’, bijv. in also die zeysene mayt dat hoy velt hise ‘hij velt hen zoals de zeis het hooi maait’ [1350; MNW-R], ook in de vorm houwe, nu alleen nog gewestelijk (bij Kiliaan al ‘Germaans, Saksisch, Rijnlands’).
Wrsch. een oude, al Proto-Germaanse, afleiding van de stam van het werkwoord → houwen ‘hakken’, dus hooi is letterlijk ongeveer ‘het afgehouwen, afgemaaide (gras)’ of ‘het te maaien (gras)’.
Os. hōi (mnd. hoi); ohd. houwi, hewi (nhd. Heu); ofri. , (nfri. hea); oe. hēg, hīeg (ne. hay); on. hey (nzw. ); got. hawi; alle met betekenis ‘afgemaaid gras’ en/of ‘maaibaar gras’; < pgm. *hauja-.
De nominatief/accusatief, pgm. *haui = *hawi, ontwikkelde zich door afzwakking van de eindklinker in het Nederlands tot houwe. In de verbogen naamvallen, pgm. *hauj- + uitgang, werd -auj- in het Nederlands -ōj- = -ooi-. Al in het Middelnederlands werd de nominatiefvorm aangepast aan de verbogen vormen en verouderde het oorspronkelijke houwe. Zie ook → gouw, → landouw en → ooibos.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

hooi* [gedroogd gras] {haymanoth [hooimaand] 1050, hooy, houw(e) 1201-1250} de vorm houw is de klankwettig normale 1e nv., de vorm ho(o)y stamt van de verbogen naamvallen, vgl. gouw - Gooi, oudhoogduits hewi, gotisch hawi, oudfries hā, hē, oudengels hieg; behoort bij de stam van houwen, dus is de betekenis ‘het afgemaaide’. De uitdrukking te hooi en te gras [zelden, op ongeregelde tijden] was in de Middeleeuwen een bepaling voor de tijd van rechtsdagen: in de hooitijd (juli) en in de grasmaand (april), dus twee keer per jaar, d.w.z. zelden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hooi znw. o., mnl. hooy, hoy (eig. vorm van de verb. nv. naast houwe), os. 2. nv. hōgias, ohd. hewi, houwi (nhd. heu), ofri. , oe. hīeg (ne. hay), on. hey, got. hawi < germ. *hauja. — Gewoonlijk beschouwd als ‘het afgemaaide’ en dan behoort het tot houwen.

Intussen kan men herinneren aan on. ‘etgroen’, waarvan de grondvorm kan zijn *hāwu < hagwō of *hāu < *hahwō (E. Olson ANF 31, 1915, 6). Dit verbindt men met oi. śaka- ‘kruiden, groente’, lit. šékas, lett. seks ‘pasgemaaid gras’ (IEW 544). Daarom denkt men ook aan een afl. van hooi uit *hagwia (Lidén, Fschr. Bugge, 1892, 94).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hooi znw. o., mnl. hooy, hoy, ospr. de vorm van de casus obliqui, naast houwe uit *hawi, o. = ohd. hewi, houwi (nhd. heu), os. genitief hôgias, ofri. , ags. hîeg (eng. hay), on. hey, got. hawi o. “hooi”, germ. *χauja-. Verwant met houwen: oorspr. = “afsnijdsel”. Wij mogen hooi niet van houwen scheiden en ’t met russ. kowyľ “soort van spits steppengras” verbinden. Voor de wgerm. vormen vgl. gouw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hooi v., Mnl. hoi en houwe, Os. houwi + Ohd. id. (Mhd. höu, Nhd. heu), Ags. híeg (Eng. hay), On. hey (Zw. , De. ), Go. hawi: van houwen, dus = gemaaid gras. Voor hooi, houwen, vergel, tooien, touwen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

hui (zn.) hooi; Aajdnederlands houwe <901-1000>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Hooi, afl. van houwen, hakken, afsnijden; dus: gras, dat gesneden is. Voor de ooi uit ouw, vgl.: Gooi en gouw, Louwmaand en looimaand.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hooi ‘gedroogd gras’ -> Frans oyat ‘helmgras’; Indonesisch indehoj, indehoy ‘(verboden) seksuele gemeenschap hebben’; Jakartaans-Maleis indehoi ‘intiem met elkaar omgaan, seksuele gemeenschap hebben’; Papiaments hoi ‘helmgras’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

in. Het Indonesisch heeft een aantal Nederlandse verbindingen met het voorzetsel in overgenomen. Zo is het Indonesische indehoj, ook gespeld als in de hooj, in de hoy, indehoy een grove uitdrukking voor '(verboden) geslachtsgemeenschap hebben'. Hiervan zijn afgeleid berindehoy en keindehoyan, met dezelfde betekenis. Aangezien er in Indonesië bijna geen hooi is, zal de uitdrukking overgenomen zijn uit het Nederlandse taalgebruik, vermoedelijk van soldaten. Dat ook in het Nederlands in het verleden al sprake was van 'met iemand het hooi in duiken', blijkt uit een aantal zeventiende-eeuwse citaten: zo vermeldt het WNT de uitdrukkingen in 't hooi met iemand willen, moeten als 'stoeien, ravotten in het hooi' met als toelichting: 't.w. uit dartelen lust', waaraan wordt toegevoegd: 'Bij Bredero leest men uit hooien varen met eene blijkbaar dartele beteekenis', met een citaat uit 1612: 'Ick moet nou wat uyt hoye varen. O bloet, hier omtrent wonen sulcke overdadige moye snaren!' Een snaar is een meisje, maar ook - en die betekenis bedoelt Bredero - een lichtekooi.

Opvallend is natuurlijk het lidwoord de in indehoj, waar in het Nederlands gesproken wordt van het hooi. Theoretisch zou hier sprake kunnen zijn van een verbogen naamval: in den hooi zoals in den beginne (naast het hooi, het begin). Dit lijkt echter erg onwaarschijnlijk, want zo'n naamvalsvorm is typische schrijftaal, terwijl het hier natuurlijk om een spreektaaluitdrukking gaat. Verder komt het lidwoord de volgens het WNT in het Nederlands alleen voor in de specifieke uitdrukking 'de(n) hooi hebben van iets, hetzelfde als den brui, waarvan het een willekeurige (verzachtende) variant is, hetgeen ook het veranderde geslacht verklaart'. Gezien de betekenis heeft dit niets te maken met het Indonesische indehoj. De verklaring voor de in indehoj zal gezocht moeten worden in de overname door Indonesiërs: uit onderzoek is namelijk gebleken dat mensen die Nederlands als tweede taal leren - en dat gold immers voor de Indonesiërs - geneigd zijn om het verschil tussen de- en het-woorden te verwaarlozen en slechts één woordgeslacht te gebruiken, zeker wanneer de moedertaal geen lidwoorden kent, zoals het Indonesisch. Als bepaald lidwoord gebruikt men dan steeds het lidwoord de, vaak met nadruk uitgesproken als die (het Afrikaans kent zelfs uitsluitend die als bepaald lidwoord). Dat kunnen we nog horen als Indische Nederlanders het zogenoemde Indisch-Nederlands spreken, dat iedereen wel kent van Wieteke van Dort in haar creatie van Tante Lien: in dit Indisch-Nederlands zegt men bijvoorbeeld de varken en de kantor. Op dezelfde manier zal in het hooi in Nederlands-Indië zijn omgevormd tot indehoj.

In het Indonesisch betekent indekos 'een kostganger zijn' of 'een kostganger hebben'; dit gaat uiteraard terug op het Nederlandse in de kost (zijn, hebben). Indekos wordt tegenwoordig ook gebruikt voor 'het verhuren van kantoorruimte door een groot bedrijf aan een kleiner bedrijf'. Een kostganger heet een indekosan. Overigens is ook het Nederlandse kost zonder het voorzetsel in geleend als kos(t), met als betekenissen 'in de kost hebben, kostganger, pension'. In advertenties staat terima kos voor 'wij nemen kostgangers aan'. Een bu kos(t) is een pensionhoudster, hospita (bu betekent 'mevrouw'), en een pak kos(t) is de mannelijke tegenhanger (pak betekent 'meneer'), die ook met een Nederlands leenwoord kosbas wordt genoemd.

In het Papiaments is in in de betekenis 'in de mode, in trek' geleend uit het Nederlands of uit het Engels. Ook hoi 'hooi' is uit het Nederlands geleend, maar de frivole combinatie in het hooi voor 'vrijen' komt in het Papiaments voor zover mij bekend niet voor.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hooi* gedroogd gras 1050 [CG II1, 122]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

957. Te veel hooi op zijn vork nemen,

d.w.z. te veel werkzaamheden op zich nemen, te veel willen doen; eig. meer hooi op zijn vork nemen dan men, zonder dat er iets afvalt, op den wagen of in de ruif kan leggen. Vgl. hiermede hij zal dat hooi wel op zijn gaffel krijgen, hij zal daar wel mee klaar komen. De uitdr. staat opgeteekend bij Tuinman I, 145: Hy neemt te veel hooi op de vork; Harreb. I, 331. In het Friesch zegt men: tofolle hea op 'e foarke nimme; hy hellet tofolle hea over 'e balke; Antw. Idiot. 1769: te veul hooi op zijn gaffel (of op zijn vork) steken, te veel willen doen.

958. Te hooi en te gras,

vroeger ook bij hooi en (bij) gras, d.w.z. zelden, zoo nu en dan. De uitdr. dateert uit de middeleeuwen en was eene tijdsbepaling voor rechtsdagen, met de beteekenis: in den voorzomer (den hooitijd) en in het voorjaar (in April, de grasmaand), dus eig. tweemaal 's jaars en vandaar hoogst zelden, niet dikwijls, een paar maal. Vgl. Oorkb. v. Doorninck, 171 (a. 1477): Dese claringhe mogen wij doen twewerf des jaers, eens bi grase ende eens bi stroo. In het mnd: So moghen de heren twie in dem iare richte holden in dem lande, dat ene bi grase, de ander bistro (Lübben II, 140). De oudste tot nu toe gevonden plaats waar de uitdr. in fig. zin voorkomt, is die uit Brederoo I, 224, vs. 332: Sy lacht by hoy en by gras, dat's goelickjes tweemael 's jaers; zie ook Lucelle, vs. 464; Van de Venne, Tafr. v.d. Belacchende Werelt, 9: Ick gae nimmer tot Joost Dael en Jasper Klimmer, maer ick sit tot ouwe Faas eens te hooy, en eens te graas; Kluchtspel, III, 250; Sewel, 295: By hooi en by gras iemand bezoeken, to visit one now and then; Halma, 193: Bij hooi en bij gras, de fois à autre, rarement; C. Wildsch. II, 102; 261; 317; III, 152; IV, 195; 273; V, 198; Weiland: te hooi en te gras; in het fri.: by hea en by gêrs; in het mnl. bi grase ende bi stro of bi corne ende bi grase (in lett. zin); zie het Mnl. Wdb. II, 2106; III, 1923; VII, 2329 en Ndl. Wdb. V, 580.In Noord-Holland kent men de uitdr. een land te hooi en te gras hebben, d.w.z. wanneer men het eenmaal maait (voor het hooi) en daarna gebruikt als grasland (om er koeien in te laten loopen).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut