Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hoogtij - (bloeiperiode)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

hoogtij zn. ‘bloeiperiode’
Mnl. hogetide ‘christelijke feestdag, hoge kerkelijke feestdag’ [1236; CG I, 26], minder vaak algemener ‘feestdag, feest, plechtigheid, joodse feestdag’ [1240; Bern.]; onder invloed van het Duits ook wel ‘bruiloftsfeest’: vnnl. [1627; WNT], ‘huwelijk’ [1647; WNT]; binnen de rooms-katholieke kerk door metonymie (woordvervanging) ook ‘heilige communie’: nnl. ten hoogtijd gaan ‘ter communie gaan’ [1836; WNT]; vaak in de vaste verbindingen hoogtijd houden en jonger hoogtijd vieren. Zonder -d vanaf de 19e eeuw, in hoogtijkrans [1830; WNT], hoogtij [1855; WNT].
Samengesteld uit → hoog in de betekenis ‘verheven, bijzonder’ en → tijd ‘tijdstip’.
Os. hōhgitīd; ohd. hōhzīt (mhd. hōchzīt; nhd. Hochzeit alleen nog ‘bruiloft’); ofri. hachtid (nfri. heechtiid); oe. hēahtid; on. hátíð (nzw. högtid); alle met betekenis ‘hoog kerkelijk of wereldlijk feest’; voor de Duitse vormen zie ook → getij(de).
De vorm hoogtij zonder -d is relatief jong en wordt in de 20e eeuw algemeen in de overdrachtelijke betekenis ‘bloeiperiode’, in de uitdrukking hoogtij vieren ‘een bloeiperiode beleven’, en vooral in de samenstelling hoogtijdagen ‘bloeiperiode’. Deze ontwikkeling is ontstaan onder invloed van het woord → tij ‘fase van de periodieke eb-en-vloedbeweging van het zeewater’ in de combinatie hoog tij ‘hoogste stand van het zeewater’ en het feit dat de betekenissen van hoogtij en hoog tij uitstekend met elkaar te vereenzelvigen zijn. Deze wederzijdse associatie heeft tot gevolg dat recentelijk ook hoog tij steeds vaker geschreven wordt als hoogtij [1969; WNT vloed], en naar analogie ook laag tij als laagtij.
Omdat er voor de oudere betekenissen van hoogtijd synoniemen bestaan die gebruikelijker zijn, zoals communie, feestdag, huwelijk(sfeest), is deze vorm nu verouderd en wordt hij hoogstens nog als historisch begrip gehanteerd. De spelling hoogtijd is echter niet verdwenen, want de woordcombinatie (het is, het wordt) hoog tijd (zoals in 't Is dan hooch tijt, dat ... [ca. 1550; WNT verscheren III]) wordt steeds vaker als hoogtijd geschreven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hoogtij znw. o., mnl. hôghetîde, hoochtîde, hoochtijt, hoochgetîde o. v. ‘feest; hoog kerkelijk feest’, os. hōgetīd, ‘kerkelijk feest’, mhd. hōchgezīt, hōchzīt v. ‘kerkelijk of wereldlijk feest, huwelijksfeest’, ofri. hāchtīd, oe. heahtīd, on. hatīð v. (uit mnd.) ‘kerkelijk feest’. — Samenstelling van hoog en getijde, vgl. mnl. ghetīde ‘gezette tijd, kerkelijk feest’ of tijd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hoogtij znw. o., mnl. hôghetîde, hoochtîde, -tijt, -ghetîde o. v. “feest”, vooral “kerkelijk feest”. Vgl. mhd. hôch(ge)zît v. “kerkelijk feest, wereldlijk feest, groote vreugde, huwelijksfeest” (nhd. hochzeit), os. hô-getîd, ofri. hâchtîd, ags. hêahtîd, on. hâtîð v. “feest, kerkelijk feest”, ’t on. woord naar mnd. model.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

hoogtijd m., het eerste lid is het adj. hoog, evenals in hooggetij, hoogdag, Hgd. hochzeit, niet het subst. *hoge, heug = vreugd.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Hooggetij, hoogtij; hooge, groote feestdag; hiernaast bestaat nog de samenstelling hoogdag; Vondel spreekt van hoogtijd (Gijsbr. vs. 664) en hooge feest (vs. 676). Zoo heeft het hoogduitsch voor bruiloft: Hochzeit, dus eigenlijk hooge feestdag. Hoogtij vieren wordt figuurl. gebruikt voor: zeer in zwang zijn, in hooge bloei zijn, op zijn hoogst zijn. Een geheel ander woord is hoogzaal, dat door volksetymologie verbasterd is uit oksaal (zie o.d.w.)

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal