Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

hoogte - (verhevenheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

hoogte zn. ‘verhevenheid’
Mnl. hoochde, hoghede ‘verhevenheid, het hoog zijn’ in die lencde ende die breide, di hogde ende die dipde ‘de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte’ [1290-1310; MNW-P], sine hoogde ende sine diepheit, sine langhe ende sine breetheit [14e eeuw; MNW]; hoochte [1452-1501; MNW].
Afleiding van → hoog met hetzelfde achtervoegsel als in → diepte.
Mnd. hōghede, hōchte; ohd. hōhida (mhd. hœhede); oe. hīehðu (ne. height); on. hæð (nzw. höjd); got. hauhiþa; < *hauh-iþa/ida-. Met een ander achtervoegsel met dezelfde betekenis ouder al onl. hōi [10e eeuw; W.Ps.]; os. hōhi; ohd. hōhī (nhd. Höhe); got. hauhei; en in het mnl. ook hoghe [1279; CG I, 453]; doordat de uitgang -e morfologisch minder goed gemarkeerd was, werd deze in de meeste van die woorden al vroeg vervangen door -de of -te; een relict is nog koude, waaruit door d-syncope kou, zie → koud.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

hoogte znw. v., mnl. hoochte, ouder hôghede, mnd. hōghede, hōchte, mhd. hœhede, oe. hiehðo (ne. height), nde. høide, nzw. höjd (ozw. höghþ), got. hauhiþa. Naast elkaar lopen de vormen *hauhiþō en *haugiþō, afl. van hoog. De uitgang -te in plaats van -de ontstond na de syncope van de e, waardoor in woorden als diepte, dikte een verscherping moest optreden; sedert de 17de eeuw is deze uit analogie algemeen geworden.

Een andere afl. van *hauha- is onfrank. hōi, os. hōhi, ohd. hōhī (nhd. höhe), got. hauhei ‘hoogte’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

hoogte znw., mnl. hoochte naast ouder hôghede v. (nog dial. hoogde). = mhd. hœhede, mnd. hôghede, hôchte, ags. hîehðo (eng. height) v., de. høide, zw. höjd, högd, got. hauhiþa v. “hoogte” (ook overdr.). Voor de ndl. suffix-substitutie vgl. laagte. Een ander woord voor “hoogte” is onfr. hôi, ohd. hôhî (nhd. höhe), os. hôhi, got. hauhei v.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

huugde, huugte (zn.) hoogte; Vreugmiddelnederlands hoochde <1290-1310>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

hoog’te: geen hoogte hebben van (had, heeft gehad), geen idee hebben van, zich geen voorstelling kunnen maken van. Het gevolg is dat alle toiletten van een bepaalde ’centrale’ overlopen. En stinken, je hebt er geen hoogte van () (WS 19-6-1982). - Etym.: Vgl. AN ’op de hoogte zijn van’ = kennis dragen van, weten.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

hoogte ‘poolshoogte’ (bet. van Grieks exarma); (op de -- zijn) (vert. van Frans être à la hauteur)

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Hoogte Astr. boogafstand van ster tot horizon. Vert. v. Gr. ἔξαρμα (exarma) = poolshoogte; lett. verheffing; < ἐξαίρειν (exairein) = omhoog heffen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

hoogte ‘afmeting in verticale richting’ -> Fries heechte ‘afmeting in verticale richting’; Negerhollands hoogte ‘afmeting in verticale richting’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

hoogte* afmeting in verticale richting 1452-1501 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

956. De hoogte krijgen (of hebben),

d.w.z. dronken worden of zijn, de pruif, de last hebben (Köster Henke, 56; 38); eene sedert de 17de eeuw gebruikelijke uitdrukking naast de hoogte van zijn gedachten krijgen (d.i. niet verder kunnen denkenZie Ndl. Wdb. VI, 1046, waar ook het vermoeden wordt uitgesproken dat de oorsprong der uitdr. in het zeewezen moet worden gezocht, wat met het oog op de vele synonieme zegswijzen, die veelal aan 't zeewezen ontleend zijn, niet onmogelijk is. Zie De Cock1, 240.. Zie Winschooten, 212: Een roes suipen, soo veel drinken, dat men de hoogte heeft, en lustig vroolijk begint te werden. De zin van de uitdr. hij heeft de hoogte is volgens Tuinman I, 121: ‘'t Loopt met hem zo hoog als 't gaan mag, hem dient niet meer’; vgl. ook Halma, 572: Hij heeft al een halven roes weg, hij heeft de hoogte al; fri. hy het de hichte of de miette; eng. to get into one's altitudes, opgewonden worden. Syn. boven of over zijn bier of zijn thee(water) zijn (Harreb. I, 55); vgl. eng. cold tea, alcoholische drank; Harreb. II, 329: Hij drinkt sterke thee, hij is een liefhebber van sterken drank; M.z.A. 170: Allengs gebeurde het vaker dat hij boven zijn thee was; Speenhof VII, 63: Als tie 's middags dan naar huis komt, istie boven z'n thee; Lvl. 65: Ik ben gisterenavond 'n beetje boven m'n theewater thuis gekomen; Kalv. II, 47: Hij deed alsof hij een beetje boven zijn theewater was; O.K. 173; 't Was een goedhartige kerel en leuk! - vooral als ie 'n klein beetje boven z'n theewater was; Handelsblad, 27 Januari 1915 (avondbl.), p. 5 k. 6: Er wordt wel eens een pintje bier te veel gedronken en er raakt wel eens iemand boven zijn theewater; Propria Cures, XXVI, 173: O, zult ge zeggen dan was er zeker een examen-fuif en waren de lui een klein beetje boven hun tweewater; Kippev. II, 258: Ik voel zelf al dat ik behoorlijk de hoogte krijg; I, 232: Maar ik ben boven mijn bier; Nw. Amsterdammer, 8 Mei 1915 p. 3 k. 2: De barbier boven de bierbar was bar boven zijn bier; Handelsblad, 17 Aug. 1915 (ochtendbl.) p. 2 k. 2: De man kon toen de weelde van al dat geld niet meer dragen. Hij raakte boven zijn bier; fri. oer (of boppe) syn bier wêze; vgl. ook het eng. to be over one's cups.

1858. Poolshoogte nemen,

d.i. zich op de hoogte stellen van, onderzoek doen naar eene zaak of een toestand (Harreb. II, 192; Dievenp. 120; B.B. 149), hetzelfde als hoogte nemen van iets (o.a. C. Wildsch. I, 125); eig. gezegd van een zeeman, die astronomisch berekent op welk een' graad van hoogte hij boven de kim is; Van Eijk I, 112; Winschooten, 195. Voor zeelieden, die zich in het noordelijk halfrond bevinden, is de aangewezen ster, wier hoogte zij voor de breedtebepaling moeten berekenen, de poolster, daar deze zich het dichtst bij de pool en altijd in de nabijheid van den meridiaan bevindt. Deze berekening geschiedde vroeger door middel van een graadboog, een vierkanten stok met graadverdeeling, waarlangs verschillende dwarshouten met vizieren aan beide einden konden geschoven worden, en die in gedaante en vooral in behandeling veel op een handof kruisboog geleekEene voorstelling hiervan vindt men in Starter's Friesche Lusthof, 261.. Vandaar dat men het nemen van poolshoogte of het peilen van de zon met dit instrument noemt de sterren, de zon schieten; zie Ndl. Wdb. V, 504; VI, 1045 en vgl. het fri. poalshichte nimme. Hierbij behoort ook geen hoogte van iets kunnen krijgen, er niets van begrijpen. In op de hoogte zijn van iets, er alles van weten, goed ingelicht zijn, heeft ‘hoogte’ de bet. van staat, stand, graad van wetenschap (Ndl. Wdb. V, 1048).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut